Wanneer het systeem de mens vergeet — over Siska, het lijden en de muur in onze zorg
- Luc Van De Steene
- 18 okt 2025
- 5 minuten om te lezen
Het systeem zegt te zorgen, maar het is de mens die moet genezen van het systeem.

Er zijn momenten waarop een individueel verhaal iets groters blootlegt. Het voornemen van de jonge Siska om euthanasie aan te vragen, is zo’n moment. Het raakt diep, niet alleen door haar persoonlijke pijn, maar omdat het iets onthult over onze tijd. Achter het individuele drama schuilt een collectieve ziekte: een zorgsysteem dat de mens niet meer ziet.
We denken dat het over euthanasie gaat, maar het gaat over iets fundamentelers — over een systeem dat de mens eerst ontzielde, en hem daarna schuldig verklaart omdat hij niet meer verder kan en wil leven.
De mens als symptoom van een ziek systeem
Siska is niet het probleem. Zij is de spiegel.
Haar wens legt de leegte bloot van een systeem dat al lang zijn morele kompas kwijt is. Een systeem dat luistert met formulieren, troost met protocollen en denkt in termen van stoornissen.
De taal van dat systeem is klinisch, rationeel, berekenend. Het kent enkel diagnose, label, behandeling. Alles wordt object, ook de mens zelf.
Wie zich niet laat reduceren tot een meetbaar verschijnsel, past niet in het systeem en wordt dus onbegrijpelijk.
Siska’s woorden — “niemand heeft mij echt gezien” — zijn de meest ware diagnose die over ons tijdperk gesteld kan worden.
De nieuwe religie van de wetenschap
Waar vroeger de priester sprak in naam van God, spreekt vandaag de psychiater in naam van de wetenschap.
Beiden beroepen zich op een hogere orde, beiden sluiten twijfel uit.
Het medisch model is intussen geen methode meer, maar een geloofssysteem. Het predikt dat wat niet meetbaar is, niet bestaat.
Maar de mens is geen machine en zijn geest geen chemisch laboratorium.
We weten heel veel over de hersenen, maar niets over de geest of de ziel die erin woont.
Dat is de tragedie van onze tijd: hoe meer we meten, hoe minder we begrijpen.
De bezorgdheid die niet luistert
Wanneer psychiaters vandaag pleiten voor strengere richtlijnen bij euthanasie voor twintigers, klinkt dat op het eerste gezicht verstandig: “Het brein is pas volgroeid vanaf 25 jaar.”
Maar wat wordt hier eigenlijk gezegd? Dat de jongvolwassene nog niet in staat is om te oordelen over zijn leven. Dat zijn hersenen, en dus zijn keuzes, nog niet af zijn. Dat een complexe hoogbegaafde mens, met een versterkt bewustzijn, geen recht van spreken heeft — andermaal een dodelijke vorm van miskenning.
Het is een bezorgdheid die zich rationeel voordoet, maar emotioneel doof blijft.
Want geen woord over het lijden zelf, over de wanhoop, de eenzaamheid, over het gevoel van niet gezien te worden. Men spreekt opnieuw over het brein, niet met de mens. Over ontwikkeling, niet over ontmoeting.
Het debat draait dus niet om de vraag of iemand jong is, maar of iemand gehoord wordt. En precies daar faalt het systeem: het verbergt zijn onvermogen om nabij te zijn achter wetenschappelijke bezorgdheid.
Zolang we de mens herleiden tot neuronale onrijpheid, kunnen we de diepte van zijn lijden niet zien. En wie het lijden niet ziet, kan ook niet helpen.
Hoe het denken ziek werd
Om te begrijpen hoe het zover kwam, moeten we even terug in de tijd. Het moderne medische denken vindt zijn wortels bij René Descartes (17de eeuw), die de wereld opsplitste in twee domeinen: res cogitans (de denkende substantie) en res extensa (de uitgebreide materie). De geest werd ongrijpbaar, het lichaam werd meetbaar, en dus beheersbaar.
Daarmee legde Descartes, onbedoeld, het fundament voor een wetenschap die alles wat niet meetbaar is buiten beschouwing laat. De moderne geneeskunde werd gebouwd op dat fundament: kennis als controle, meten als weten.
In de 19de eeuw versmolt dat denken met het positivisme van Auguste Comte: alleen wat empirisch aantoonbaar is, mag bestaan. De mens werd zo een object van studie, niet langer een subject van ervaring.
Dat model bracht onmiskenbare vooruitgang; we genezen wonden, we verlengen levens, maar het bracht ook een sluipende reductie van de werkelijkheid. Het lijden werd iets dat “in het brein” of “in het lichaam” zit, niet iets dat zich tussen mensen afspeelt, in de ruimte van betekenis en relatie.
Vandaag is dat denken nog steeds de onbetwiste norm. Maar precies daar, in die vanzelfsprekendheid, ligt het probleem: het systeem kan niet meer buiten zijn eigen taal denken. En wie niet buiten zijn taal kan denken, kan de mens niet meer zien.
We schreven ooit: Zet dat hoofd terug op je schouders De muur tussen lichaam en geest
De wortel van het falen van onze zorg ligt in diezelfde scheiding tussen lichaam en geest.
We hebben de mens in tweeën gesneden, en elk stuk een eigen domein gegeven: het medische voor het lichaam, het psychologische voor het brein.
Maar precies daar, in het niemandsland ertussen, speelt zich het echte lijden af.
In dat niemandsland probeert het alternatieve systeem iets te herstellen. Daar wordt gekeken naar samenhang: lichaam, geest, emoties, zingeving, omgeving.
Maar telkens als dat alternatief opstaat, wordt het door het reguliere teruggeduwd — uitgelachen, genegeerd, of verdacht gemaakt; geminacht, geblokkeerd, of afgedaan als “onwetenschappelijk”.
De muur staat niet alleen in het denken, maar ook in de structuren. De muur is institutioneel geworden.
Toch groeit daar, in de marge, een ander mensbeeld. Een dat zegt: de mens is geen som van functies, maar een levende samenhang. Een dat beseft dat heling niet alleen een medisch, maar ook een moreel, existentieel en spiritueel proces is.
Het falen van de instanties
Telkens als psychiaters, psychologen of beleidsmakers reageren, klinkt hetzelfde refrein: er zijn meer middelen nodig.
Maar meer middelen voor een ziek systeem maken het systeem niet gezonder.
De vraag is niet hoeveel geld er is, maar welke logica dat geld voedt.
Een systeem dat gebouwd is op afstand, controle en status, zal nooit de nabijheid, het luisteren en het mens-zijn kunnen herstellen.
De psychiater verdedigt haar statuut, haar wetenschap, haar positie.
Ze pleit voor zelfbeschikkingsrecht, maar vergeet dat echte zelfbeschikking pas mogelijk is wanneer iemand zich eerst erkend voelt als mens.
Zonder die erkenning is vrijheid een leeg begrip.
De media en wij: de zwijgende getuigen
De media kijken toe. Ze berichten over het drama, maar niet over de structuur. Ze laten de experts aan het woord, maar niet de mensen die vastlopen in hun systemen.
Zo blijft het collectieve probleem een individueel verhaal. En wij, de toeschouwers, voelen medelijden maar geen verantwoordelijkheid.
Misschien moeten we het omdraaien: niet de mens, maar het systeem hoort terecht te staan.
Het systeem dat zegt te genezen, maar niet meer luistert.
Het systeem dat zegt de mens te beschermen, maar hem in feite ontmenselijkt.
Misschien moeten we het systeem voor de rechtbank brengen.
Niet in wraak, maar in waarheid.
Het is tijd om te onderzoeken of de geestelijke gezondheidszorg haar eigen opdracht niet verzaakt heeft: de zorg voor de geest van de mens.
Naar een zorg met ziel
Wat nodig is, is niet een pleister op een verrot bouwwerk, maar een nieuw fundament.
Een zorg die niet vertrekt van controle, maar van ontmoeting.
Die niet denkt in protocollen, maar in verhalen.
Die weer durft te zeggen: ik weet het niet, maar ik ben hier.
Dat zou al een begin van genezing zijn, niet alleen voor de ondraaglijk lijdende mens, maar voor ons allemaal.
Echte zorg begint niet bij weten, maar bij zien, en pas wanneer we opnieuw leren zien, kunnen we weer mens worden in plaats van systeem.



Opmerkingen