Zet dat hoofd terug op je schouders
- Luc Van De Steene
- 16 jun 2025
- 3 minuten om te lezen
René Magritte schilderde in 1966 The Pilgrim: een man in pak, stropdas keurig geknoopt, hoed zwevend in de lucht. Maar het meest opvallende? Zijn hoofd is weg. Of liever: het zweeft los, zonder enige verbinding met het lichaam. Een surrealistisch beeld, maar akelig herkenbaar. Het lijkt wel een portret van de moderne mens.

We zijn onszelf gaan zien als breinen op benen. Rationele wezens die hun bestaan menen te kunnen vatten in gedachten, schema’s en modellen. De geest als stuurcabine, het lichaam als vervoermiddel. Het is de nalatenschap van René Descartes, de filosoof die ons leerde: je pense, donc je suis — ik denk, dus ik ben. Denken werd het fundament van bestaan. Het lichaam? Een soort bijzaak.
Maar die scheiding tussen lichaam en geest — wat sommigen terecht de cartesiaanse catastrofe noemen — is vandaag niet langer houdbaar. Sterker nog: ze vormt een blok aan het been van onze gezondheidszorg.
De prijs van dualisme
Over het lichaam weten we veel. We hebben het opengemaakt, geclassificeerd, gescand en gediagnosticeerd tot in de kleinste vezel. Maar de geest? Die blijft mysterieus. We hebben geprobeerd haar te temmen met DSM-handboeken en pillen, maar telkens glipt ze weer weg. Want de geest leeft niet in een vacuüm. Ze leeft in het lichaam, in relaties, in herinneringen, in de context van een leven.
Gerko Tempelman, theatermaker en filosoof, noemt de geest-lichaamscheiding achterhaald: “Onze herinnering zit ook in ons lijf.” Hij spreekt over de diepe verwevenheid van wie we zijn en hoe we ons voelen. En dat raakt aan iets wezenlijks: ons lijden is vaak niet medisch, maar existentieel. Het uit zich lichamelijk — slapeloosheid, spanningen, pijn — maar vindt zijn oorsprong elders.
Toch is onze gezondheidszorg gestoeld op het idee dat we mensen kunnen repareren zoals we machines herstellen. Er is een klacht, dus zoeken we een diagnose, en we geven een behandeling, liefst evidence-based — de mensen verwachten intussen niets anders. In het geval van psychisch lijden blijkt dat vaak niet te werken. Dat is geen geheim meer, het is wetenschap.
Psychiater Jim van Os is één van de weinigen die dit luidop zegt. In een interview pleit hij voor niets minder dan een revolutie in de geestelijke gezondheidszorg. Zijn kritiek is hard: “De reguliere methode is niet wetenschappelijk, maar wél lucratief.” Hij hekelt het systeem van labels, pillen en eindeloze wachtlijsten. En stelt daar iets radicaal eenvoudigs tegenover: menselijk contact.
Geen ziekte, maar worsteling
Volgens Van Os moeten we stoppen met psychische problemen als 'ziektes' te behandelen. Ze zijn geen afwijking van de norm, maar een uiting van de worsteling die het leven nu eenmaal is. “Gekte zit in iedereen. Soms komt het er gewoon meer uit,” zegt hij. Die gedachte is niet alleen troostrijk, ze is ook maatschappijkritisch. Want als psychisch lijden een normaal menselijk gegeven is, dan is het zorgsysteem dat mensen reduceert tot diagnoses een vorm van ontmenselijking.
We hebben een systeem gebouwd dat uitgaat van controle en beheersing, terwijl de menselijke ervaring zich daar juist aan onttrekt. Wie paniek ervaart, rouw, depressie of verwarring, leeft niet in een fout systeem dat ‘gerepareerd’ moet worden, maar in een complex, vaak pijnlijk proces van betekenisgeving.
De roep om integratie
Wat nodig is, is integratie. Hoofd en lichaam. Geest en omgeving. Wetenschap en menselijkheid. Dat vraagt om een radicaal andere kijk op gezondheid. Niet als afwezigheid van ziekte, maar als vermogen tot verbinding — met jezelf, met anderen, met het leven.
We moeten stoppen met mensen te behandelen als losse onderdelen. We zijn geen hersenen in een pan. We zijn voelende, denkende, ademende wezens, gevormd door ervaringen, trauma’s, verlangens en verhalen.
Veel mensen leven tegenwoordig alsof ze losgezongen zijn van hun lichaam. Ze denken, plannen en rennen tot het lijf protesteert. We voelen de signalen, maar herkennen ze niet. En dus gaan we gewoon door. Tot het lichaam zegt: STOP. Ik ben OP.
Zet dat hoofd terug op je schouders
We staan op een kantelpunt. De zorg moet niet efficiënter worden, maar menselijker. Niet sneller, maar dieper. Niet technisch, maar relationeel. En dat begint met een ander mensbeeld.
Niet je pense, donc je suis, maar je pense et je sens, donc je suis.
Zonder gevoel, zonder lijf, zonder contact, zijn we slechts dolende hoofden, zwevend boven een lichaam dat we zijn vergeten. Hoog tijd dus om het hoofd weer op de schouders te zetten, en de mens in zijn geheel te erkennen.
Hoog tijd ook voor onze beleidsmakers om te beseffen dat ze zelf meer zijn dan een hardvochtig hoofd op wankele benen. In tijden waarin meritocratie wordt verward met hebzucht en boekhoudersmentaliteit, is dat natuurlijk geen evidentie.



Opmerkingen