Zij was er. Ik zag haar.

De duif op de reling
Vanmorgen kwam een duif
op mijn reling zitten.
Niet eens mooi.
Grijs als iets dat nergens
om gevraagd heeft.
Ze keek naar mij
alsof ze goedemorgen zei –
of ik maakte daarvan
wat een mens van alles maakt
wat hem even aankijkt.
Ik dronk mijn koffie.
Zij bleef.
Tussen ons
de stille beleefdheid
van twee wezens
die niets van elkaar weten.
Toen dacht ik:
wie zal ooit weten
dat deze duif heeft bestaan?
Ik weet het nu.
Dat is al iets.
Maar als ze morgen terugkomt,
zal ik niet weten
of zij het is.
Zo klein is soms
de grens tussen bestaan
en nooit bestaan hebben.
Zij lijkt daar geen bezwaar tegen te hebben.
Ze strijkt haar veren glad,
springt een stukje opzij,
kijkt de tuin in
alsof de wereld haar
geen getuige verschuldigd is.
Misschien is dat vrijheid.
Of misschien is vrijheid
alleen een woord
dat een mens verzint
voor eenzaamheid
die geen pijn doet.
Want zij hoeft niet te weten
dat iemand haar gezien heeft.
Ik wel.
Ik zou willen
dat iemand mij zag
en daarna nog wist
dat ik het was.
Niet mijn naam,
niet mijn gezicht
dat langzaam uit het geheugen
van anderen verdwijnt,
maar iets kleins:
dat ik hier zat,
vanmorgen,
met mijn koffie,
en dat er een duif kwam
die ik voor een ogenblik
niet alleen liet zijn.
Wij zeggen tegenwoordig
verbinding.
We zeggen verbondenheid
alsof het touwtjes zijn
die we om elkaar heen leggen,
alsof een woord
een brug kan bouwen.
Maar misschien zitten we allemaal
aan onze eigen kant.
We roepen naar elkaar
en horen vooral
dat we zelf geroepen hebben.
Kafka wist het misschien
toen hij schreef
dat hij soms dacht
ongeschikt te zijn
voor menselijke betrekkingen.
Niet omdat hij niemand nodig had.
Misschien juist daarom.
Een duif kan alleen zijn
zonder te weten
dat ze alleen is.
Een mens kan alleen zijn
en daar bovenop
weten dat hij alleen is.
Dat is het verschil.
Of misschien niet.
Misschien is het verschil
dat ik hier nu zit
en over haar nadenk,
terwijl zij, ergens boven de daken,
al lang vergeten is
dat ze mij ooit zag.
En toch –
een ogenblik geleden
bestonden wij voor elkaar.
Zij op de reling.
Ik met mijn koffie.
Twee kleine levens
die elkaar niet konden kennen
en elkaar toch even
hebben aangeraakt.
Misschien is dat
wat verbondenheid is:
niet dat iemand
ons vasthoudt,
maar dat, heel even,
een vreemde duif
op een reling landt
en dat iemand
haar ziet.



Opmerkingen