Ben je geworden wie je bent, of wie je moest zijn?

In de nieuwe reeks Therapie op VRT Canvas viel een paar keer het woord 'parentificatie'. Een psychologische term die misschien niet bij iedereen meteen een belletje doet rinkelen, maar die bij sommigen weleens voor een aha-erlebnis kan zorgen. Want plots krijgt iets wat je jarenlang als vanzelfsprekend hebt beschouwd een naam en misschien ook een verklaring.
Parentificatie ontstaat wanneer een kind verantwoordelijkheden opneemt die eigenlijk bij de ouders thuishoren. Dat kan heel praktisch zijn: voor broertjes of zusjes zorgen, het huishouden draaiende houden of al op jonge leeftijd verantwoordelijkheid dragen voor het gezin. Maar het kan ook veel subtieler en minder zichtbaar gebeuren. Wanneer een kind de vertrouwenspersoon van een ouder wordt, diens verdriet opvangt, bemiddelt bij conflicten of voortdurend probeert de emotionele rust in huis te bewaren.
Het kind wordt dan niet alleen gevraagd om groter te zijn dan zijn leeftijd. Het leert ook dat de behoeften van anderen voorgaan op die van zichzelf. Precies daar wordt het interessant: wat gebeurt er wanneer dat kind volwassen wordt?
Misschien wordt het iemand die bijzonder goed kan luisteren. Die spanningen feilloos aanvoelt, die conflicten probeert te vermijden en altijd bereid is om te bemiddelen. Iemand die moeilijk kan aanzien dat mensen ruziemaken en zich haast automatisch verantwoordelijk voelt om de plooien glad te strijken. Die problemen van anderen mee naar huis neemt, voortdurend oplossingen zoekt en zich ongemakkelijk voelt wanneer er ergens onenigheid blijft bestaan.
We noemen zo iemand al snel empathisch, verbindend, diplomatisch of zorgzaam. Allemaal mooie eigenschappen. Misschien is het interessant om ook eens naar de mogelijke oorsprong ervan te kijken. Wat als je niet altijd de vrede probeert te bewaren omdat je nu eenmaal zo'n verbindend mens bent, maar omdat je ooit hebt geleerd dat de vrede bewaren noodzakelijk was? Wat als je niet zo goed bent geworden in het oplossen van andermans problemen omdat je dat zo graag doet, maar omdat je als kind weinig andere mogelijkheden had? Dat maakt het verhaal een stuk minder vrijblijvend.
Een rol die je als kind noodgedwongen opneemt, kan later zo vertrouwd aanvoelen dat ze ongemerkt deel gaat uitmaken van je identiteit. Je wordt degene die zorgt, begrijpt, incasseert, relativeert en oplost. Degene op wie iedereen kan rekenen. Misschien weet je op den duur zelf niet meer zo goed wie je bent wanneer niemand iets van je nodig heeft.
Daar zit een merkwaardige paradox in. Je kunt zo goed worden in het aanvoelen van wat anderen nodig hebben, dat je het contact met je eigen behoeften verliest. Je weet wanneer iemand anders verdrietig is, wanneer een conflict dreigt of wanneer je moet tussenkomen. Maar wat voel je zelf? Wat wil jij? Waar liggen jouw grenzen? Kun je die grenzen ook aangeven zonder je daar schuldig over te voelen?
Ook in latere relaties kan dat patroon zich herhalen. Je neemt gemakkelijk de verantwoordelijkheid op voor het welzijn van je partner, vrienden of collega's. Je geeft veel, soms meer dan je eigenlijk kunt missen. Je probeert te begrijpen, te verzoenen en te herstellen. Misschien kom je daardoor telkens opnieuw terecht in relaties waarin jij vooral degene bent die draagt, terwijl je zelf niet altijd gedragen wordt.
Het lastige is dat zulke patronen vaak worden beloond. De omgeving waardeert je verantwoordelijkheidszin, je beschikbaarheid en je vermogen om problemen op te lossen. Je krijgt waardering omdat je sterk bent. Maar wie vraagt zich af hoeveel energie dat kost? En misschien nog belangrijker: hoeveel ruimte er overblijft om gewoon jezelf te zijn?
Het betekent uiteraard niet dat iedereen die zorgzaam is, moeite heeft met grenzen of graag bemiddelt, een geparentificeerd kind is geweest. Mensen ontwikkelen zich op verschillende manieren en een moeilijke jeugd bepaalt niet automatisch de rest van je leven. Het begrip parentificatie kan wel een interessant perspectief bieden op gedrag dat we anders misschien nooit in vraag zouden stellen.
De confrontatie met dat inzicht is misschien zelfs moeilijker dan de herkenning zelf. Je moet mogelijk onder ogen zien dat bepaalde eigenschappen waarop je trots bent, ook een keerzijde hebben. Dat je zelfstandigheid soms voortkomt uit het gevoel dat je toch maar op jezelf moet rekenen. Dat je zorgzaamheid weleens samenhangt met de overtuiging dat je pas waardevol bent wanneer je iets voor anderen betekent. Dat je moeilijk nee kunt zeggen omdat je diep vanbinnen nog altijd vreest iemand teleur te stellen.
Dan komt misschien de meest wezenlijke vraag: ben je geworden wie je bent, of ben je vooral geworden wie je vroeger moest zijn?
Het goede nieuws is dat een rol geen levenslange bestemming hoeft te worden. Wat je ooit hebt aangeleerd om overeind te blijven, hoef je niet noodzakelijk te blijven herhalen. Je mag leren dat niet elk conflict jouw verantwoordelijkheid is. Dat je anderen hun eigen problemen mag laten oplossen. Dat je niet altijd de sterke hoeft te zijn en dat liefde niet afhankelijk mag zijn van hoeveel je voor iemand kunt betekenen. Misschien begint verandering wel bij iets wat voor anderen vanzelfsprekend lijkt, maar voor jou bijzonder moeilijk is: jezelf afvragen wat je nodig hebt, zonder meteen te denken aan wat iemand anders nodig heeft.
Ook wie jarenlang voor iedereen heeft gezorgd, mag ontdekken hoe het voelt om voor zichzelf te kiezen.
Misschien is dat wel de belangrijkste verantwoordelijkheid die je als volwassene opnieuw kunt opnemen: niet langer zorgen dat iedereen rondom jou overeind blijft, maar eindelijk ook jezelf de ruimte geven om gewoon te leven.



Opmerkingen