Wat je als kind niet mocht voelen, kruipt onder je vel
Bijgewerkt op: 1 dag geleden

We zijn bijzonder goed in het adviseren om het eigen verleden los te laten. Vergeef je ouders. Koester geen wrok. Blijf niet hangen in wat je is aangedaan. Maar wat als die woede niet het probleem is? Wat als het probleem juist is dat je haar zo lang niet hebt mogen voelen?
Er zijn emoties die we graag zien en emoties die we liever niet onder ogen komen. Verdriet bijvoorbeeld, daar hebben we doorgaans wel begrip voor. Angst ook. Maar woede? Dat ligt moeilijker. Woede is onredelijk, destructief, ongepast. Woede moet worden beheerst, gekanaliseerd en liefst zo snel mogelijk overwonnen. Wie de ouders nog altijd iets verwijt, heeft blijkbaar het eigen verleden niet verwerkt.
Alice Miller heeft daar een ongemakkelijke boodschap over. In The Body Never Lies betoogt de Pools-Zwitserse psychoanalytica dat wat een kind wordt aangedaan of wat het structureel tekort komt, niet zomaar verdwijnt. Een kind dat vernedering, afwijzing, emotionele verwaarlozing of angst ervaart, heeft niet de luxe om daartegen te protesteren. Het is afhankelijk van precies die mensen die het pijn doen. Het moet zich aanpassen, zwijgen, begrijpen, vergeven. De woede die het niet kan uiten, moet ergens naartoe.
En dus leert het kind iets merkwaardigs: niet alleen dat de eigen behoeften er blijkbaar niet toe doen, maar ook dat gevoelens niet te vertrouwen zijn. Het leert dat het niet boos mag zijn op degene van wie het afhankelijk is. Het leert dat het veiliger is om de werkelijkheid te ontkennen en de eigen authenticiteit op te geven dan de relatie op het spel te zetten. Dat laatste is simpelweg geen optie.
Die strategie kan een leven lang meegaan – en dat kost bakken energie.
We worden volwassenen die zich verontschuldigen wanneer iemand over onze grenzen gaat. We gaan ons schuldig voelen wanneer we voor onszelf opkomen. We gaan conflicten vermijden, onszelf wegcijferen en voortdurend proberen begrijpen waarom anderen doen wat ze doen. We zijn soms bijzonder mild voor de mensen die ons tekortdoen en bijzonder hard voor onszelf.
Ergens onderweg zijn we vergeten dat we ook boos mogen zijn.
Het is misschien wel de meest intrigerende gedachte bij Miller: onderdrukte woede verdwijnt niet noodzakelijk, ze verandert van gedaante. Woede kan zich uiten in angst, in chronische waakzaamheid, in gespannen relaties, in een lichaam dat moeilijk tot rust komt. Niet omdat elke lichamelijke klacht een verborgen trauma verraadt – daarvoor bestaat geen wetenschappelijk bewijs. Zeker niet omdat je kanker of een andere ernstige ziekte zou kunnen verklaren als opgekropte woede. Maar omdat lichaam en geest nu eenmaal geen afzonderlijke werelden zijn. Langdurige stress en onveiligheid kunnen diepe sporen nalaten in ons zenuwstelsel en onze lichamelijke stressregulatie.
Bessel van der Kolk schreef er een indrukwekkend boek over: The Body Keeps the Score. Het lichaam onthoudt wat het hoofd soms probeert te vergeten. Wat we niet hebben kunnen verwerken, kan zich blijven manifesteren in onze reacties, onze gewoonten en onze lichamelijke beleving.
Wat ons als kind niet werd toegestaan te voelen, verdwijnt niet noodzakelijk. Het zoekt een andere uitweg. Soms via ons gedrag, soms via onze relaties, soms via ons lichaam.
Nog iets wat me bij Miller treft: haar verzet tegen de morele verplichting om je ouders te eren, ongeacht wat ze hebben aangericht. Dat vierde gebod – eer uw vader en uw moeder – kan voor iemand met een pijnlijke jeugd bijna een tweede vernedering worden. Alsof de loyaliteit van het kind belangrijker is dan de waarheid over wat het heeft meegemaakt.
Hoe vaak wordt iemand niet aangespoord om te vergeven voordat er zelfs maar ruimte is om boos te zijn? Om begrip op te brengen voor je ouders, omdat ze het zelf ook moeilijk hadden? Om de andere kant van het verhaal te zien? Het kan allemaal waar zijn, maar het ene doet niets af aan het andere. Dat de ouders beschadigd waren, maakt niet ongedaan dat ze zelf beschadigd hebben.
Misschien hebben we daarom een ander soort getuige nodig. Iemand die niet meteen nuanceert, relativeert of verzoent. Iemand die niet vraagt waarom je nog altijd boos bent, maar die eerst zegt: wat jou is overkomen, was niet oké. Iemand die je niet naar vergeving begeleidt, misschien vanuit een vorm van almacht, maar die je helpt om de waarheid onder ogen te zien. Woede is niet noodzakelijk het tegendeel van liefde. Woede kan ook de reactie zijn op liefde die ontbrak, op bescherming die uitbleef of op erkenning waar je recht op had maar niet mocht ontvangen.
Dit is mogelijk de paradox: pas wanneer we onszelf toestaan boos te zijn over wat ons is tekortgedaan, kunnen we ophouden ons hele leven te organiseren rond dat tekort.
Misschien is het niet de woede die ons ziek maakt, maar het jarenlange werk dat we verrichten om te doen alsof we geen reden hebben om boos te zijn.
We moeten onze ouders niet haten. We moeten ze niet veroordelen, maar we moeten hen ook niet langer beschermen tegen de waarheid van onze eigen geschiedenis. We moeten misschien niet zo snel zeggen dat iemand zijn verleden moet loslaten. We kunnen ook eerst eens vragen wat hij al die jaren heeft moeten vasthouden. Sommige dingen verdwijnen niet door erover te zwijgen. Ze kruipen onder ons vel en soms begint herstel precies daar waar we eindelijk de moed vinden om de angel eruit te halen.



Opmerkingen