Het lichaam zegt nee – en wij zetten er een deadline op

We zijn de taal van ons lichaam verleerd.
We hebben geleerd om te functioneren, te presteren, vol te houden, te incasseren. We hebben geleerd om ons lichaam mee te sleuren naar vergaderingen, deadlines, verplichtingen en afspraken die allang niet meer kloppen. We hebben geleerd om te zwijgen wanneer ons hoofd beslist dat er geen tijd is om te luisteren.
Tot het lichaam zelf niet langer zwijgt.
Eerst is er wat vermoeidheid. Een slechte nacht. Een gespannen nek. Een hoofd dat niet meer helemaal mee wil. Een hart dat iets sneller klopt dan wenselijk. We noemen het drukte. Een lastige periode. Het hoort erbij. Nog even doorbijten.
We zijn immers goed in doorbijten. Minder goed in voelen.
En dus negeren we de signalen. We praten ze weg, relativeren ze, parkeren ze voor later. We behandelen ons lichaam als een onwillige werknemer die dringend moet worden aangespoord om opnieuw productief te worden.
Tot die werknemer de deur dichttrekt.
Burn-out, noemen we dat.
Misschien is dat wel een van de pijnlijkste paradoxen van onze tijd: we hebben steeds meer kennis over ons lichaam, maar lijken steeds minder bereid om ernaar te luisteren. We meten onze stappen, onze hartslag, onze slaap en onze calorieën. We hebben apps die ons vertellen wanneer we moeten bewegen en wanneer we moeten rusten. Maar de vraag of ons leven eigenlijk nog wel klopt, stellen we nauwelijks.
We zijn het contact met ons lichaam kwijtgeraakt. Wanneer het lichaam uiteindelijk op de rem gaat staan, beschouwen we dat als een defect dat zo snel mogelijk verholpen moet worden.
Niet als een signaal, niet als een grens, maar als een probleem.
Kijk, daar wordt het interessant. Wat doen we maatschappelijk met mensen die opgebrand raken? We bedenken maatregelen, trajecten, controles en deadlines. Alsof een uitgeput lichaam zich laat overtuigen door een administratieve planning. Alsof herstel zich iets aantrekt van een kalender.
De gedachte dat een burn-out zich binnen een bepaalde termijn moet laten oplossen, is van een onthutsende simpliciteit. Het lichaam heeft kennelijk twee jaar gekregen om weer mee te draaien. Wat als dat niet lukt? Wat als de draagkracht niet terugkeert volgens het vooropgestelde schema? Dan dreigt de verantwoordelijkheid opnieuw bij het individu terecht te komen.
Het lichaam zegt nee, maar de administratie wil een datum.
Hoe wonderlijk vertrouwd klinkt dat eigenlijk?
Neem onze politiek. Ook daar hebben we een lichaam: een regering. Een geheel van organen, systemen en mensen die geacht worden samen te werken, elkaar in evenwicht te houden en het land vooruit te helpen. Maar wat als de onderlinge samenwerking vastloopt? Wat als de tegenstellingen zich opstapelen, de energie verdwijnt en het systeem steeds meer kracht moet gebruiken om nog enigszins overeind te blijven?
Ook een regering kan signalen geven. Een crisis hier, een blokkering daar. Een zoveelste conflict. Een zoveelste compromis dat geen compromis meer is. Tot het geheel niet langer functioneert.
Dan valt het stil of valt het uiteen. Het politieke lichaam zegt nee.
Zullen we daar ook een tijdsklok op zetten? Twee jaar om te herstellen van politieke uitputting? Een verplicht re-integratietraject voor ministers? Een evaluatiegesprek met de coalitiepartners? Of misschien een sanctie wanneer het regeringslichaam er niet in slaagt om binnen de vooropgestelde termijn opnieuw productief te zijn?
Qua sanctie kunnen we creatief zijn: een jaar geen ministerwedde; het zal rap gedaan zijn met minister spelen. Laat je verbeelding werken, beste lezer.
Het klinkt absurd en dat is precies de bedoeling.
Waarom vinden we het bij mensen soms zo vanzelfsprekend om herstel te reduceren tot een termijn, een dossier of een administratieve verplichting? Waarom verwachten we dat een lichaam zich schikt naar de logica van systemen die zelf nauwelijks nog luisteren?
Misschien moeten we dringend iets opnieuw leren. Niet alleen als individu, maar ook als samenleving: luisteren vóór iets breekt. Erkennen dat grenzen geen tekenen van zwakte zijn. Begrijpen dat uitputting niet altijd vraagt om een extra inspanning, maar soms om een fundamentele verandering.
Een lichaam dat nee zegt, vraagt niet noodzakelijk om een betere planning. Soms vraagt het om een ander leven. Misschien geldt dat ook voor een samenleving die zichzelf voortdurend voorbijloopt. Voor een politiek systeem dat meer energie besteedt aan overeind blijven dan aan dat waarvoor het ooit bedoeld was.
We zouden het lichaam opnieuw ernstig kunnen nemen. Niet als een machine die onderhouden moet worden, maar als een ingenieus kompas dat ons – eerder dan ons verstand vertelt – zegt dat we de verkeerde richting uitgaan.
Maar daarvoor moeten we wel bereid zijn om te luisteren. En dat is misschien nog de grootste uitdaging van allemaal. Want zolang we de ‘nee’ niet willen horen, zullen we manieren blijven bedenken om het te overstemmen. Met deadlines, met maatregelen, met goede bedoelingen en met nog wat extra doorzettingsvermogen.



Opmerkingen