Tieners mogen ook eens niets begrijpen
Jaren zeventig van de vorige eeuw. Poësis, het vijfde jaar ASO. Literature of Renaissance England. Christopher Marlowe. Doctor Faustus.
Tieners moeten ook de kans krijgen om er eens niets van te begrijpen.
We lazen Marlowe. We deden aan close reading, lang voor dat woord tot de didactische woordenschat was doorgedrongen. We lazen nog eens. En nog eens. We keken naar woorden, zinnen, beelden, aantekeningen in de kantlijn. Soms viel onze frank. Soms viel er helemaal niets. Maar dat gaf niet.
Want ondertussen gebeurde er iets anders: de goesting en de verwondering kregen tijd en ruimte om te groeien.
Op de foto's zie ik het allemaal weer: de vergeelde pagina's uit het literatuurhandboek, de potloodnotities, de pijlen en uitroeptekens, de pogingen om een tekst van vier eeuwen oud open te krijgen. Doctor Faustus was geen hapklare lectuur. Het was werk. Maar het was ook avontuur.
En thuis ging het verder.
De Oxford Advanced Learner's Dictionary lag binnen handbereik. Een woord overslaan omdat je het niet kende? Dat kon natuurlijk. Maar soms wilde je toch weten wat er precies stond. En dus werd er opgezocht, teruggelezen, vergeleken. Ook zelf schrijven hoorde erbij: Engelse zinnen maken, voelen hoe zo'n taal in elkaar zat, struikelen over de woordvolgorde en het daarna opnieuw proberen.
Zo ging dat in de jaren zeventig van de vorige eeuw.
Niet alles hoefde onmiddellijk begrepen te worden. Niet elke tekst hoefde onmiddellijk leuk te zijn. Een vijftienjarige mocht al eens boven zijn eigen gewicht boksen en boven zijn eigen hoofd lezen. Misschien was juist dát de bedoeling.
En terwijl vandaag geregeld de klaagzang klinkt over de leesvaardigheid van vijftienjarigen, denk ik soms terug aan die lessen Engels.
Niet omdat alles toen beter was. Dat was het natuurlijk niet.
Maar omdat ik ervan overtuigd ben dat tieners nog altijd iets aankunnen wat ze aanvankelijk niet begrijpen.
Geef ze een moeilijke tekst. Geef ze tijd. Geef ze een woordenboek. Geef ze een potlood om in de marge te krabbelen. En vooral: geef ze de kans om zich te verwonderen.
Wie weet waar die ene moeilijke bladzijde later toe leidt.
Een studie Engels misschien.
Of literatuur.
Of geschiedenis.
Of gewoon een levenslange liefde voor taal.
Sommige dingen moeten eerst moeilijk mogen zijn voordat ze betekenis krijgen.
Dat is misschien wel een van de dingen die ik me uit die schooltijd het sterkst herinner.
En laat me niet lachen: op het thuisfront was dialect de voertaal en ik vond er geen enkel boek, behalve het telefoonboek. We weten dat thuis dialect spreken en op school correct Nederlands – niet die vermaledijde tussentaal – automatisch leidt tot het ontwikkelen van een contrastieve grammatica en dat helpt om vlotter een nieuwe taal te verwerven.



Opmerkingen