Ministers en hun brein: gebouwd voor paniekvoetbal, niet voor toekomst
- Luc Van De Steene
- 29 sep 2025
- 3 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 30 sep 2025

Stel je voor: het brein van een minister als een soort voetbalploeg. De amygdala in de spits, de prefrontale cortex op de bank. En langs de lijn: de kiezer die elke vijf minuten begint te fluiten omdat er nu nog niet gescoord is.
Geen wonder dat langetermijnstrategieën nooit van de grond komen. Preventie, duurzaamheid, investeringen in ouderenzorg? Te veel training, te weinig spektakel. Politici zijn meesters in kortetermijndenken, en daar is hun brein deels de schuldige van.
Het wetenschappelijke excuus: hersenen haten wachten
Niet iedereen heet de Wachter.
Neurowetenschappers hebben het mooi in kaart gebracht: ons brein is van nature gebouwd om onmiddellijke beloningen te verkiezen boven uitgestelde. Dat heet temporal discounting. Eén snoepje nu voelt waardevoller dan twee snoepjes morgen. In de hersenen licht vooral het ventrale striatum op als we iets nú krijgen. Pas in de meer bedaarde prefrontale cortex worden berekeningen gemaakt over de toekomst. Maar dat deel van het brein is traag, saai en veel minder sexy.
Een minister die preventie in de ouderenzorg verdedigt, moet dus letterlijk tegen zijn eigen biologie ingaan. En aangezien er ook nog eens verkiezingen op de loer liggen, wint de onmiddellijke score altijd.
Politiek als cognitieve valkuil
Naast biologie is er ook nog de politieke realiteit. Een minister krijgt hooguit vier of vijf jaar om zich te bewijzen. Dat is evolutionair gezien een oogwenk, maar in beleidstermen een permanente deadline. Beslissingen die pas over tien jaar renderen, zijn dus pure zelfmoord: je opvolger plukt de vruchten, terwijl jij de zure appel moet presenteren.
Bovendien zijn media en kiezers geen geduldige toeschouwers. Preventiecampagnes die pas over twintig jaar effect hebben? Daar wordt geen enkele talkshow beter van. Maar een ferme uitspraak in De Afspraak of een kordaat klinkende besparing? Dat levert meteen applaus op.
De tragiek van preventie
Neem nu de ouderenzorg. Iedereen weet dat investeren in preventie en begeleiding op lange termijn een veelvoud oplevert. Minder ziekenhuisopnames, betere levenskwaliteit, minder druk op zorgpersoneel. Maar preventie heeft één groot nadeel: het werkt pas als er niets gebeurt. Hoe verkoop je dat? “Kijk, we hebben deze ramp voorkomen!” klinkt nu eenmaal een pak minder overtuigend dan “We hebben 100 miljoen bespaard!”
Kortom: ministers hebben een ingebouwde bias tegen de toekomst. Niet omdat ze slechte mensen zijn, maar omdat hun brein en hun mandaat samenspannen tegen rationeel beleid.
Retoriek als rookgordijn
En dan die retoriek. Elke minister speelt het spel: “We moeten realistisch zijn, de middelen zijn beperkt, keuzes moeten gemaakt worden.” Ondertussen geen woord over de structurele kosten van uitstelgedrag. Het is alsof je in de winter de verwarming uitzet om geld te besparen, en in de lente trots verklaart: “Zie je wel dat we het hebben overleefd?”
De broek zakt je inderdaad af. En niet van de kou.
Wat zou er nodig zijn?
Eigenlijk zouden we ministers moeten verplichten hun eigen hersenen te herprogrammeren. Denk aan cognitieve training om de prefrontale cortex sterker te maken, zodat de toekomst net zo verleidelijk wordt als een onmiddellijke belastingverlaging. Of, iets praktischer: we zouden politieke structuren kunnen ontwerpen die langetermijnbeleid belonen. Bijvoorbeeld fondsen die vaststaan over meerdere legislaturen, of onafhankelijke preventie-budgetten die niet kunnen worden geplunderd bij de eerste begrotingskramp.
Tot die tijd blijft het paniekvoetbal. Ministers rennen achter de bal, de kiezer schreeuwt vanop de tribune, en de toekomst … die zit in de kantine, te wachten tot iemand haar eindelijk eens ernstig neemt.



Opmerkingen