Het kader van de klas
- Luc Van De Steene
- 29 okt 2025
- 3 minuten om te lezen

Onderwijs is vorming. Dat zeggen we graag.
Maar zelden vragen we ons af: vorming tot wat precies?
Elke leerling die een klas binnenstapt, brengt een eigen binnenwereld mee: een sociaal weefsel, een gevoeligheid, een geschiedenis die vaak nog geen woorden heeft. En tegelijk wacht daar een systeem — met leerplannen, structuren, normen, verwachtingen. Een systeem dat zegt: zo hoort het. Dat zegt: word iemand zoals wij je nodig hebben.
En daar wringt het. Onderwijs pretendeert te vormen, maar vormt vaak in één richting. Niet uit kwade wil, maar vanuit kaders die zo diepgeworteld zijn dat ze zelden bevraagd worden. Wat als “normaal” geldt, is zelden neutraal.
Elke leerkracht staat voor de klas met een eigen denkkader, gevormd door opvoeding, overtuigingen, angsten, idealen. Dat is menselijk. Maar als dat kader niet wordt onderzocht, gespiegeld of bevraagd, wordt het gemakkelijk tot norm verheven. Dan wordt het denken binnen dat kader gepresenteerd als waarheid, als orde, als veiligheid. En alles wat daarbuiten valt, wordt “moeilijk”, “storend”, “onaangepast”, “traag”, “overgevoelig”, “niet gemotiveerd”.
We plakken er een label op. ADHD. ASS. ODD. We onderscheiden rugzakjes, kleuren, profielen. We bedoelen het zorgzaam — en vaak ís het dat ook — maar tegelijk bevestigen we daarmee één denkkader als standaard, en alles daarbuiten als afwijking. Zo vormen we kinderen. Of beter: we misvormen hen tot ze binnen het systeem passen, of eruit vallen.
Onaangepast gedrag is een symptoom, een signaal dat we beoordelen (labelen), bestrijden, maar zelden echt proberen te begrijpen. Binnen de strikte contouren van het eigen denkkader kun je immers niet vatten wat er niet in past. Integendeel: wat afwijkt, bevestigt en versterkt het eigen denken, het eigen gelijk; het backfire-effect.
De fricties nemen toe. Jongeren haken af. Niet omdat ze niets willen leren, maar omdat wat ze zijn geen plek krijgt. Hun ritme, hun gevoeligheid, hun denken: het botst. En wat botst, wordt gemonitord. Gemeten. Geklasseerd. De klas als selectie-instrument, niet als broedplaats.
Bovendien staan jonge mensen vandaag met een versterkt bewustzijn in het leven. Ze zien haarscherp dat volwassenen niet altijd consequent zijn: de smartphone verbieden terwijl ze zelf verslaafd zijn. Inconsistentie is hét grote struikelblok voor de hoogbegaafde leerling, en ze zijn met velen.
Hoe zijn we hier beland?
Misschien zijn we vergeten dat leren geen machtsproces is, maar een uitnodiging. Geen inlijving, maar ontsluiting. Onderwijs zou ruimte moeten zijn, geen mal.
Leerkrachten zouden gidsen mogen zijn, geen wachters aan de poort van het systeem. Maar dat vraagt iets moeilijks: dat zij ook zelf mogen leren. Reflecteren. In vraag gesteld worden, niet alleen op hun didactiek, maar op hun wereldbeeld. Hun mensbeeld.
En dat gebeurt zelden. Want ook zij zitten vast in het grotere kader van het onderwijs als instituut: resultaatgericht, prestatiegedreven, genormeerd, gechronometreerd. Binnen dat kader is weinig ruimte voor fundamentele dialoog of zelfonderzoek. Dus ploeteren velen voort; met goede wil, maar ook met uitputting, frustratie, machteloosheid — tot de burn-out het licht uitdoet.
En toch … soms ontstaat er iets bijzonders.
Een leerkracht die even loslaat. Die luistert zonder te controleren. Die naast een leerling gaat zitten in plaats van tegenover hem; alleen al dat standpunt!
Een klas die geen strijdtoneel is, maar een proeftuin.
Een moment waarop niet het gedrag, maar de pijn eronder wordt gezien.
Dat zijn de barstjes. Daar komt het licht door.
Wat als we dat licht serieuzer namen? Wat als onderwijs niet langer probeerde te bepalen wat een kind moet worden, maar durfde luisteren naar wat het kind misschien al is — een kind dat gewoon kind wil zijn?
Dan zou de klas niet langer de plaats zijn waar kinderen in vorm worden gebracht, maar waar vormen in vraag mogen worden gesteld.
Kinderen zijn dol op waarom-vragen.
En dat, misschien, is de mooiste vorming die we kunnen bieden.



Opmerkingen