Een ode aan het wachten
- Luc Van De Steene
- 7 jul
- 2 minuten om te lezen
(voor Dirk De Wachter)

Men zegt soms dat wachten verloren tijd is.
Maar dat zijn dan mensen
die nog nooit een gesprek met u hebben gevoerd;
gesprekken die zo traag en aandachtig zijn
dat zelfs de tijd beleefd een stap opzij doet
en zegt: “Ga gerust voor, ik volg wel.”
U hebt ons geleerd
dat er in elke stilte een zetel staat,
een oude, zachte zetel waarin men kan gaan zitten
om het bestaan beter te horen ademen.
En zo wordt wachten plots iets anders:
geen hinder, geen oponthoud,
maar een soort gymnastiek van de ziel.
Niet de heroïek van de marathon,
of andere belangrijkheid,
maar de veel verfijndere kunst
van even niet-lopen,
even blijven zitten in dat kleine
“Nog niet, nog niet, wacht maar …”
Het leven zoals het ook is,
zonder Ochtendharnas.
Het wachten van de mens lijkt soms op eb:
een terugdeinzen, een verlies misschien.
Maar u hebt ons vaak verteld
dat er onder elk verlies een beweging zit
die we zelden meteen begrijpen.
Zoals de zee, die in haar terugtrekken
al bezig is aan de voorbereiding van haar terugkeer.
En het lijkt soms ook op regen:
dat druppelende geduld dat we als kind nog konden verdragen
(we sprongen erin, we werden er beter van)
maar dat we als volwassene zijn gaan zien
als een mislukking van de dag.
U zou waarschijnlijk zachtjes glimlachen
en zeggen dat regen ook maar een vorm
van universele troost is;
water dat ons eraan herinnert
dat alles nat mag worden
zonder dat het stukgaat.
In het wachten zit zo’n diepe zachtheid verscholen.
Een zachtheid die u vaak aanraakt,
als een arts die weet
dat de meeste wonden niet verdwijnen door haast,
maar door aandacht,
en medeleven, en troost.
En daardoor is uw wachten
geen inactiviteit maar een uitnodiging.
Een uitnodiging aan de wereld
om ook eens te komen zitten,
om het gejaagde hoofd in de handen te leggen,
even naar binnen te luisteren
en te merken dat het leven daar
nog steeds klopt.
Misschien is dat waarom wij,
wanneer we u zien spreken,
even zelf beginnen te wachten.
Op uw pauze, uw stilte,
dat kleine tikje van de melancholie
waarin uw woorden zich verzamelen
zoals vogels op een draad.
En we weten dan:
wachten is geen leegte.
Het is een warm nest.
En zelfs Godot, mocht hij ooit passeren,
zal waarschijnlijk voor uw deur blijven staan,
stilletjes, respectvol,
omdat het wachten daar voor het eerst voelt
als thuiskomen.
Dus wachten we maar verder
– met u, voor u, door u geïnspireerd –
in de hoop dat het bestaan ons in zijn eigen ritme
zachtjes weer meeneemt.
Zoals de vloed dat doet,
zoals de zon dat doet na regen,
zoals u dat doet
wanneer u zegt:
“Het is goed.
We hebben tijd.”
En intussen draait de wereld maar door.



Opmerkingen