Het gevaar begint wanneer een mens een etiket wordt
- Luc Van De Steene
- 15 aug
- 3 minuten om te lezen

Voormalig gevangenisdirecteur Hans Claus schreef een vlijmscherp opiniestuk over de humanitaire schande van onze overvolle gevangenissen. Er is geen speld tussen te krijgen. Toch bekruipt me de vraag: als de analyse gemaakt is en de oplossingen eigenlijk voorhanden zijn, waarom verandert er dan zo weinig?
Het echte probleem is niet in de eerste plaats juridisch of organisatorisch is. Het zit dieper. Ons mensbeeld is grondig verstoord.
Woorden doen ertoe. Wanneer de minister van Justitie spreekt over "criminelen", is dat op zich niet onjuist. Mensen hebben misdrijven gepleegd. Maar zodra dat woord hun volledige identiteit wordt, verdwijnt de mens achter het etiket. Dan zien we geen vader meer, geen zoon, geen vrouw, geen verslaafde, geen psychisch kwetsbare, geen ontspoorde jongere of verbitterde oudere. We zien nog slechts de crimineel. De mens zelf ben je kwijt. Voor "de crimineel" gelden blijkbaar andere morele reflexen.
Drie mensen op een cel voor één. Maanden wachten op medische zorg. Een mentale zorg die niet meer is dan wachten op Godot – in de wachtrij. Een gevangenis die al jarenlang door internationale instanties op de vingers wordt getikt wegens mensonwaardige omstandigheden. Het roept nauwelijks maatschappelijke verontwaardiging op. De impliciete gedachte is eenvoudig: eigen schuld, dikke bult. Wie ligt daar wakker van? Precies daar wordt het gevaarlijk.
Hannah Arendt waarschuwde dat onmenselijkheid niet begint met geweld, maar met taalgebruik. Op het moment dat mensen niet langer als unieke personen verschijnen, maar als categorieën, wordt het makkelijker om hun rechten te relativeren. Emmanuel Levinas ging nog een stap verder. Volgens hem begint ethiek op het ogenblik dat het gelaat van de ander een beroep op ons doet, nog vóór we de ander beoordelen. Zodra dat gelaat verdwijnt achter een label, verdwijnt ook onze verantwoordelijkheid. Het is geen filosofische luxe. Het is politieke dagelijkse kost.
Mensenrechten zijn immers niet bedacht voor mensen die we sympathiek vinden. Voor hen hebben we geen verdragen nodig. Mensenrechten bewijzen hun waarde daar waar onze spontane sympathie ophoudt. Bij de veroordeelde. Bij de lastige buur. Bij de man die een ernstig misdrijf pleegde. Juist dan toont een rechtsstaat haar beschaving. Wie een gevangenisstraf krijgt, is veroordeeld tot vrijheidsberoving. Niet tot vernedering, niet tot mensonwaardige detentie, niet tot het verlies van zijn menselijke waardigheid.
Dit mechanisme reikt verder dan de gevangenismuren. Ook langdurig zieken, mensen in armoede, asielzoekers of verslaafden verdwijnen vaak achter een etiket. Zodra een mens samenvalt met één kenmerk, wordt onverschilligheid verrassend gemakkelijk. Dan wordt de vraag niet langer: Hoe helpen we deze mens? Maar waarom zouden we ons nog om hem bekommeren?
Daar begint het hellend vlak.
De kwaliteit van een samenleving wordt niet afgemeten aan de manier waarop ze haar voorbeeldige burgers behandelt. Die redden zich meestal wel. Ze wordt afgemeten aan de manier waarop ze omgaat met wie haar teleurstelt, angst inboezemt of zelfs afschuw oproept.
Een samenleving die mensen reduceert tot hun misdrijf, hun ziekte of hun afkomst, tast uiteindelijk haar eigen morele fundament aan.
Misschien verklaart dat waarom zoveel heldere analyses zo weinig in beweging brengen. Het probleem is niet dat we niet weten wat er misloopt. Het probleem is dat we niet langer zeker weten wie we nog als medemens beschouwen. Het geldt in deze tijden helaas voor elke mens die in economische zin niet meer productief is en bijgevolg als afgeschreven wordt opgeborgen. De mens is een product geworden en als product het voorwerp van etikettering.



Opmerkingen