De taal van zorg — of hoe woorden zelfzorg kunnen zijn
- Luc Van De Steene
- 16 okt 2025
- 4 minuten om te lezen

Soms hoor je iemand spreken en voel je het, soms meteen, vaak achteraf:
hier wordt niet zomaar iets gezegd, hier wordt iets hersteld.
Niet een misverstand, maar een zelfbeeld.
Niet een relatie, maar een innerlijk evenwicht.
Psycholoog Sam Vaknin, bekend van zijn scherpe analyses van narcisme, noemt dat covert narcissistic speech — verborgen narcistische spraak. Dat klinkt als klinisch jargon, maar eigenlijk gaat het over iets wat we allemaal wel eens doen: taal gebruiken om onszelf bijeen te houden.
Taal als zelfbescherming
Volgens Vaknin spreken narcistisch kwetsbare mensen niet primair om te communiceren, maar om zichzelf te reguleren. Taal wordt een soort emotionele pleister: een middel om schaamte, afwijzing of onzekerheid te dempen.
Hij onderscheidt vijf typische manieren waarop dat gebeurt.
- De eerste is de passief-agressieve spraak: ogenschijnlijk vriendelijk, maar met een verborgen prik. “Jij hebt echt veel zelfvertrouwen — ik wou dat ik zo durfde.” Een zin die als compliment klinkt, maar onderhuids zegt: je overdrijft.
- Dan is er de pseudo-nederigheid: “Ik begrijp het niet hoor, jij bent daar vast beter in.” Achter het masker van onmacht schuilt vaak de wens om gerustgesteld te worden — zeg dat ik wél iets beteken.
- De manipulatieve spraak klinkt warmer: “Jij bent de enige die mij echt begrijpt.” Maar die warmte bindt de ander; het schept een subtiele afhankelijkheid.
- De controlerende spraak werkt via morele druk: “Als jij dat echt belangrijk vindt, zal ik me wel aanpassen.” De ander krijgt de keuze tussen schuldgevoel en toegeven.
- En dan is er nog de afgunstige spraak, die succes relativeert: “Ja, jij kent daar natuurlijk de juiste mensen.” Zo wordt de ander weer op ooghoogte getrokken.In al die vormen wordt taal een vorm van zelfzorg; niet in de gezonde, maar in de defensieve zin. Woorden worden instrumenten waarmee iemand het eigen zelfbeeld overeind houdt.
Taal als co-regulatie
Toch is datzelfde principe, taal als zelfregulatie, ook de kern van zorgtaal.
Want ook wie luistert, coacht of begeleidt, gebruikt woorden om spanning te dragen.
Niet om het eigen evenwicht te behouden, maar om dat van de ander te helpen herstellen.
Brits psychoanalyticus Donald Winnicott sprak ooit over de holding environment: een veilige ruimte waarin emoties mogen bestaan zonder overspoeld te worden. Taal kan zo’n ruimte zijn.
Een zachte zin als “Ik hoor dat dit moeilijk voor je is” doet iets lichamelijks — ze dempt, structureert, maakt hanteerbaar.
In de zorgende context is taal dus niet manipulatief, maar relationeel: ze probeert samen betekenis te maken.
De mentor die zegt: “Je hoeft het nog niet te weten, we zoeken het samen stap voor stap,” biedt via taal een vorm van co-regulatie.
Hij stelt niet gerust met antwoorden, maar met aanwezigheid in woorden.
Twee kanten van hetzelfde mechanisme
Psycholinguïstisch gezien is het verschil subtiel.
In beide gevallen, bij de narcist én bij de mentor, reguleert taal affect.
Het verschil zit niet in de vorm, maar in de richting van de zorg.
De narcistische spreker gebruikt taal om zichzelf te beschermen tegen de ander.
De zorgende spreker gebruikt taal om de ander te beschermen tegen zichzelf.
Beiden zetten taal in als instrument, maar met een tegengestelde intentie.
Bij de ene is de taal een schild, bij de andere een brug.
Egocentrische versus verbindende taal
Je zou kunnen spreken van twee modi van spreken: de egocentrische en de verbindende taal.
Egocentrische taal is zelfverwijzend: ze draait om behoud, beheersing, bevestiging.
Verbindende taal is responsief: ze richt zich op afstemming, wederkerigheid, resonantie.
Het opmerkelijke is dat ze vaak oppervlakkig op elkaar lijken.
Zowel de manipulatieve spreker als de empathische coach gebruikt “ik begrijp je” maar in het ene geval is dat een claim (ik weet hoe jij je voelt), in het andere een uitnodiging (vertel me hoe het voor jou is).
De intentie is hoorbaar in de toon, voelbaar in de ruimte die erop volgt.
De ethiek van het spreken
Misschien ligt de scheidslijn tussen zorg en manipulatie niet in wat we zeggen, maar in wat onze woorden doen.
Taal heeft altijd een ethische lading, schrijft Emmanuel Levinas: elke uitspraak is een antwoord op de aanwezigheid van de ander.
In dat licht is spreken een morele daad.
Wie taal gebruikt om de ander te sturen, vervreemdt;
wie taal gebruikt om de ander te dragen, verbindt.
En toch: we bewegen voortdurend tussen die twee polen.
Ook de zorgende spreker wil soms gehoord worden, bevestigd, begrepen.
Er is niets mis met zelfregulatie, zolang ze niet ten koste gaat van de ander.
Woorden als zorgpraktijk
Misschien is dat de kern van taal als affectieve technologie:
woorden zijn niet louter tekens, maar gebaren van regulatie.
We dempen, openen, sturen, dragen met klanken.
Wie werkt met mensen, merkt hoe precies dat kan zijn.
Een goed gekozen stilte. Een herformulering die ademt.
Een zin die niet sluit, maar openlaat.
In die zin zal AI nooit de mens kunnen vervangen.
De taal van zorg is niet therapeutisch in de klinische zin, maar in de menselijke:
ze veronderstelt dat spreken een vorm van nabijheid kan zijn.
Sam Vaknin ziet taal van de narcist als een valstrik.
Maar dezelfde mechanismen, de behoefte aan herstel, erkenning, betekenis, zijn ook de grondstof van empathie.
Misschien is het verschil niet tussen goed en kwaad,
maar tussen angstige en open taal.
Taal die zichzelf wil beschermen, en taal die zichzelf durft verliezen.
Kort gezegd
Taal is nooit neutraal.
Ze is óf een schild, óf een brug.
En soms, als we goed luisteren, zelfs een vorm van zorg.



Opmerkingen