De mens is geen waarheidsmachine

Marc Van Ranst heeft gelijk wanneer hij in zijn column beschrijft hoe onze tijd onzin beloont. Sociale media maken het mogelijk dat een onbewezen bewering in enkele seconden duizenden mensen bereikt. Boosheid trekt meer aandacht dan nuance, een duidelijke vijand verkoopt beter dan een ingewikkelde verklaring en wie met grote stelligheid beweert dat hij de waarheid in pacht heeft, krijgt vaak meer bereik dan wie voorzichtig uitlegt wat we wel en niet weten.
Onder die architectuur van sociale media zit volgens mij nog iets anders. Misschien moeten we niet alleen kijken naar de omgeving die onzin verspreidt, maar ook naar het brein dat er zo ontvankelijk voor is.
Ons brein is namelijk geen waarheidsmachine. Het is ook niet geëvolueerd om wetenschappelijk correcte conclusies te trekken. Het is in de eerste plaats een overlevingsmachine. Het moet ons helpen om in een onvoorspelbare wereld snel beslissingen te nemen. Is dit gevaarlijk? Kan ik deze persoon vertrouwen? Wie hoort bij mijn groep? Waar zit de bedreiging? Wat moet ik doen? In de loop van de evolutie was het veel belangrijker om snel een plausibele verklaring te hebben dan om na drie maanden zorgvuldig onderzoek tot de meest correcte verklaring te komen. Een brein dat bij het ritselen in de struiken meteen een tijger vermoedde, had misschien vaker ongelijk dan een brein dat rustig afwachtte. Maar het had wel een grotere kans om zijn eigenaar in leven te houden.
Dat oeroude systeem werkt nog altijd in ons hoofd. Alleen zijn de struiken veranderd. De tijgers zijn tweets, filmpjes, politici, virologen, migranten, klimaatmodellen, complotten, economische onzekerheid en berichten die ons vertellen dat er ergens een vijand zit. Ons brein wil begrijpen wat er gebeurt, maar vooral ook het gevoel krijgen dat het begrijpt wat er gebeurt. Dat is niet hetzelfde. Een ingewikkelde werkelijkheid verdragen waarin we iets nog niet weten, is moeilijker dan een eenvoudig verhaal waarin de schuldige al is aangewezen.
Misschien verklaart dat ook waarom onzin zo aantrekkelijk kan zijn. Onzin hoeft niet waar te zijn om psychologisch nuttig te zijn. Een overtuiging kan iemand houvast geven, angst verminderen, een gevoel van controle creëren of duidelijk maken bij welke groep hij hoort. Wie ervan overtuigd raakt dat anderen hem bedriegen, heeft in zekere zin een overzichtelijke wereld gekregen. Alles wat niet klopt, bevestigt vervolgens het vermoeden dat er iets verborgen wordt gehouden. Het verhaal sluit zichzelf af. Wie het verhaal tegenspreekt, wordt onderdeel van het verhaal.
Daar wordt het gevaarlijk. Ons brein beschikt over een merkwaardige eigenschap: het is bijzonder goed in redenen vinden waarom we gelijk hebben. We zoeken informatie die onze overtuiging bevestigt, onthouden voorbeelden die erbij passen en zijn veel kritischer voor argumenten van anderen dan voor die van onszelf. We noemen dat cognitieve vertekeningen, maar het gaat om meer dan een verzameling psychologische foutjes. Het is een fundamentele spanning in het menselijk denken. We willen niet alleen weten hoe de wereld in elkaar zit. We willen ook graag dat onze kijk op die wereld overeind blijft.
Dat geldt niet alleen voor de man met de ringlamp die op sociale media verkondigt dat alle wetenschappers liegen. Het geldt ook voor de wetenschapper die overtuigd is van zijn eigen gelijk. Voor de journalist. Voor de politicus. Voor de hoogopgeleide intellectueel die zich verbaast over de domheid van anderen – misschien juist voor die laatste. Zodra we ervan overtuigd zijn dat wij de irrationele massa doorzien, ligt immers een nieuwe denkfout op de loer: we worden blind voor onze eigen denkfouten.
Daarom vind ik het begrip metacognitie zo belangrijk: kunnen nadenken over je eigen denken. Niet alleen de vraag stellen of een bewering klopt, maar ook: waarom geloof ik dit eigenlijk? Waarom maakt juist dit verhaal mij boos? Waarom vind ik deze persoon geloofwaardig en die andere niet? Welke informatie zou mij van mening doen veranderen? En misschien de lastigste vraag van allemaal: wat als ik zelf degene ben die hier een denkfout maakt?
Dat is geen pleidooi voor besluiteloosheid. Kritisch denken betekent niet dat we overal aan moeten twijfelen en uiteindelijk niets meer durven geloven. Integendeel, het betekent dat we onderscheid leren maken tussen zekerheid en overtuiging. Wetenschap vraagt niet dat we alles geloven wat een wetenschapper zegt, maar wel dat we bereid zijn onze overtuigingen aan bewijs te onderwerpen. Precies daar ligt het verschil tussen gezonde twijfel en cynisme. Twijfel zegt: laat ons verder onderzoeken. Cynisme zegt: iedereen liegt toch.
Misschien zegt dat ook waarom het zo moeilijk is om mensen met feiten van hun ongelijk te overtuigen. Een feit kan een overtuiging tegenspreken, maar daarmee is de psychologische functie van die overtuiging nog niet verdwenen. Als iemand zijn wereldbeeld, zijn identiteit of zijn gevoel van veiligheid aan een bepaalde overtuiging heeft gekoppeld, kan het loslaten ervan veel bedreigender zijn dan het aanvaarden van een fout. Soms verdedigen mensen dus niet zozeer een idee, maar zichzelf.
De strijd tegen onzin lijkt mij daarom uiteindelijk lastiger dan de strijd tussen kennis en onwetendheid. Het probleem is niet alleen dat er veel onwetendheid is. Het probleem is dat wij allemaal beschikken over een brein dat uitstekend is in het construeren van verklaringen, het zoeken van bevestiging en het verdedigen van wat we eenmaal zijn gaan geloven. Sociale media hebben dat mechanisme niet uitgevonden. Ze hebben het alleen een gigantische boost gegeven.
Misschien moeten we daarom oppassen met de gedachte dat de ander het probleem is. Zodra we spreken over domme mensen die door algoritmen worden misleid, voelen we onszelf automatisch aan de goede kant van de grens. Wij zijn kritisch, zij zijn goedgelovig. Wij zoeken feiten, zij zoeken bevestiging. Wij denken na, zij worden gestuurd. Ook dat is een verhaal waarin het eigen kamp vanzelf gelijk krijgt. Het is precies het soort eenvoudige indeling waar ons brein zo dol op is.
De echte kritische zin begint daarom niet bij het in vraag stellen van de mening van een ander, maar bij het in vraag stellen van onze eigen zekerheid. Niet: hoe kan ik bewijzen dat ik gelijk heb? Maar: hoe zou ik kunnen ontdekken dat ik ongelijk heb? Dat is een veel lastiger vraag. Ze vraagt dat we onze eigen mentale mechanismen wantrouwen zonder daardoor in totale twijfel te vervallen.
Misschien ligt daar wel een van de belangrijkste opdrachten voor deze tijd. We hoeven mensen niet allemaal slimmer te maken. We zullen ook nooit alle onzin kunnen bannen. Mensen zullen blijven geloven wat hen geruststelt, wat bij hun groep past en wat hun wereld overzichtelijk maakt. We kunnen wel proberen mensen te leren om af en toe een stap achteruit te zetten en naar hun eigen denken te kijken.
De beste bescherming tegen onzin is misschien niet dat we altijd weten wat waar is. Dat kunnen we niet. Een veel krachtiger vorm van intelligentie lijkt mij het vermogen om te beseffen dat we ons ook kunnen vergissen, en om daar zelfs bewust naar op zoek te gaan. Het begint dus niet met de vraag: Waarom geloven zij die onzin? Het begint met de ongemakkelijke vraag: Waarom ben ik er zo zeker van dat ik het zelf bij het rechte eind heb?



Opmerkingen