De eerste dood: een existentiële lezing van burn-out
- Luc Van De Steene
- 15 dec 2025
- 4 minuten om te lezen

Burn-out wordt doorgaans benaderd en behandeld als een individueel probleem: te veel werk, te veel druk, te weinig veerkracht. Maar wat als het niet zozeer een storing is, maar een symptoom van een ontspoord mensbeeld? Wat als de massale uitputting van onze tijd wijst op een existentiële breuk — een eerste dood, waarin niet het leven eindigt, maar de illusie dat wij oneindig beschikbaar moeten zijn?
In cijfers uitgedrukt swingt de burn-out de pan uit. Grafieken stijgen waar levens stagneren. Beleidsnota’s spreken van verzuim, ziektekosten en productiviteitsverlies, maar achter die statistiek voltrekt zich iets fundamentelers. Het lijkt alsof dit bestaan een ongeschreven rite de passage kent: minstens één keer leeg moeten lopen, minstens één keer tot stilstand komen om te begrijpen wat ons gaande hield. We noemen het een energiestoornis, en dat is waar. De batterij is leeg. Maar wie goed luistert, hoort meer dan een technisch mankement. Het lichaam spreekt geen spreadsheettaal. Het spreekt in uitputting, in mist, in weigering. Burn-out is geen defect; het is een aanklacht.
De dominante verklaring blijft opvallend instrumenteel. Te veel spanning, te weinig herstel. Efficiëntere roosters, geperfectioneerd timemanagement. Maar deze benadering miskent wat burn-out werkelijk blootlegt: niet alleen een probleem van belasting, maar van bestaanswijze. Wat leegloopt is zelden uitsluitend werkenergie. Het is levensenergie. Burn-out legt onze verhouding tot tijd, waarde en mens-zijn bloot. Burn-out is geen louter incident, maar een culminatie. Een lange geschiedenis van ‘doorgaan’ en altijd ‘aanstaan’ komt samen in één woord dat plots alles stilzet.
In die zin is burn-out bij uitstek een maatschappelijk symptoom. De Zuid-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han beschrijft onze tijd als een prestatiemaatschappij, waarin het gebod niet langer luidt: je moet, maar: je kunt. Juist die schijnbare vrijheid, die illusie van vrijheid, maakt de uitputting totaler. Wie faalt, faalt niet tegenover een externe macht, maar tegenover zichzelf. De burn-out is de implosie van dat innerlijke bevel: altijd beschikbaar zijn, altijd optimaliseren, altijd meer uit jezelf halen.
Onder de zichtbare druk van werk en prestaties liggen diepere, vaak vroeg gevormde spanningen. Hechting die ooit onzeker was en later werd vermomd als daadkracht. Beschermingsmechanismen die ooit noodzakelijk waren, maar nu onzichtbare motoren zijn geworden. Wat Winnicott het valse zelf noemde, het zelf dat zich vormt om te voldoen aan verwachtingen, blijkt in de burn-out zijn houdbaarheid te hebben overschreden. Het lichaam weigert nog langer die rol te spelen.
Lees ook: Ochtendharnas
Daarbij komt dat de postmoderne samenleving steeds minder ruimte laat voor wat Hannah Arendt vita contemplativa noemde: een leven waarin niet alles draait om maken, presteren en zichtbaar zijn. Rust is verdacht geworden, leegte iets dat onmiddellijk moet worden opgevuld. Zelfs zorg en zelfreflectie worden geherformuleerd als projecten met meetbare uitkomsten. Burn-out is dan het moment waarop deze logica vastloopt. Niet omdat het individu tekortschiet, maar omdat het systeem geen pauze kent, en alle ademruimte in beslag neemt.
In dit licht wordt burn-out soms ‘de eerste dood’ genoemd. Niet omdat het leven eindigt, maar omdat iets sterft dat tot dan toe voor leven werd aangezien. Het sterft aan de illusie van oneindige beschikbaarheid. Aan het idee dat waarde samenvalt met nut. Aan de overtuiging dat liefde, erkenning en bestaansrecht verdiend moeten worden door inzet. In deze eerste dood sterft het valse zelf, het ‘overlevingszelf’: het deel dat altijd ja zei, sneller liep dan het lichaam kon dragen, en loyaler was aan verwachtingen dan aan eigen ervaring.
Zoals elke dood is ook deze een breuk-ervaring, een crisis, een cesuur, een schisma. De tijd valt uiteen. De toekomst wordt leeg, het verleden zwaar. De identiteit, zorgvuldig opgebouwd uit rollen, verantwoordelijkheden en titels, verliest haar dragende kracht. Wat overblijft is een existentiële vraag die niet efficiënt te beantwoorden valt: wie ben ik als ik niets meer kan bijdragen? Hier raakt burn-out aan wat Heidegger het ‘zijn-ten-dode’ (Sein-zum-Tode) noemde: het moment waarop de vanzelfsprekendheid van het dagelijkse bestaan instort, en de vraag naar authenticiteit onontkoombaar wordt.
Het besef van de eigen eindigheid, dat na een burn-out of na elke grote crisis kan binnensijpelen, geeft het leven urgentie en betekenis.
Dat de ‘eerste dood’ zich steeds vaker aandient bij jonge mensen, is geen toeval, maar een alarmsignaal. Zij groeien op in een wereld die permanent aanstaat, waarin mogelijkheden grenzeloos lijken maar falen als fataal voelt. Identiteit moet vroeg worden gekozen, voortdurend worden geëtaleerd en publiek worden gevalideerd. Jong zijn betekent niet langer beschermd worden door tijd, maar vroeg moeten presteren in een context zonder oefenruimte, zonder leertijd. De burn-out bij jongeren is geen individuele zwakte, maar een vroegtijdige confrontatie met een overbelast mensbeeld.
Bovendien dragen jonge mensen vaak oude lasten. Stress reist door generaties heen, vaak zonder taal. Onverwerkte angst, prestatiedruk en bestaansonzekerheid nestelen zich in lichamen en relaties. De burn-out van een jongere is soms het moment waarop een familielijn eindelijk stopt met halsoverkop rennen. Niet uit onvermogen, maar uit noodzaak.
Existentieel gezien is de burn-out geen eindpunt, maar een drempel. Zoals elke initiatie vraagt hij om tijd om te rouwen — rouw om het leven dat men dacht te moeten leven, rouw om het zelf dat nodig was om te overleven. Die rouw laat zich niet managen of versnellen. Pas daarna kan iets anders ontstaan: geen ‘betere versie’ van hetzelfde, maar een andere verhouding tot tijd, arbeid en betekenis. Minder roofbouw, meer belichaming. Minder bewijsdrang, meer aanwezigheid. Minder individualisering, meer verbinding.
De vraag is dus niet hoe we burn-out zo snel mogelijk oplossen, maar wat hij ons dwingt te erkennen. Misschien dat wij niet gemaakt zijn voor permanente versnelling. Misschien dat rust geen beloning is, maar een bestaansvoorwaarde. Misschien dat een samenleving die structureel burn-outs produceert niet lijdt aan zwakke individuen, maar aan een verarmd idee van wat leven is.
Wie door de eerste dood is gegaan, keert niet ongeschonden terug. Maar wie het aandurft om bij de leegte te blijven, ontdekt soms iets wat in geen enkel beleidsstuk past: een andere maat der dingen. En daarin, voorzichtig en zonder garantie, kan een tweede geboorte beginnen.
Elke mens heeft twee levens, zegt Confucius, en het tweede leven begint op het moment dat je beseft dat je maar één leven hebt. Wijze woorden. Misschien zit er wel een Confucius in elk van ons!



Opmerkingen