Wie blijft er bij mij als ik het moeilijk heb?
- Luc Van De Steene
- 16 minuten geleden
- 5 minuten om te lezen

Het korte antwoord: ikzelf. Het lange antwoord is een column geworden. Ik had hem niet eerder kunnen schrijven.
Net op het moment dat ik van plan was iets te schrijven over emotionele onbeschikbaarheid, trok een tekst over de vijf functies van de innerlijke moeder mijn aandacht. Alsof iemand me subtiel op de schouder tikte en zei: misschien moet je het daar eens over hebben.
Het is een eenvoudig beeld, vond ik. Misschien zelfs een beetje ouderwets, dat woord ‘moeder’, maar juist daardoor bleef het hangen. De innerlijke moeder als degene die je vanbinnen kunt tegenkomen wanneer het leven even niet meewerkt. Niet de moeder die zegt dat je je niet zo moet aanstellen, dat anderen het veel moeilijker hebben, dat je morgen wel weer beter bent. Ook niet de moeder die alles voor je oplost. Eerder degene die kan blijven zitten terwijl jij het moeilijk hebt. Die niet meteen van je verdriet een probleem maakt dat opgelost moet worden – help, wat is dat tegenwoordig toch met die oplossingsindustrie.
Ik moest denken aan hoe vaak we eigenlijk emotioneel onbeschikbaar zijn zonder dat we dat zo noemen. Niet alleen voor anderen, maar ook voor onszelf.
We kunnen daar behoorlijk bedreven in worden. Je voelt dat iets je raakt en je begint alvast aan de afwas. Je bent verdrietig en maakt een wandeling met een podcast in je oren. Je bent bang en gaat alles nog eens controleren. Je bent kwaad en legt jezelf uit waarom je eigenlijk niet kwaad zou mogen zijn. Je bent moe en denkt dat je gewoon wat beter moet plannen.
Het merkwaardige is dat we dit vaak aanzien voor volwassenheid. We functioneren, dus het zal wel goed gaan. Zelfdiscipline, nietwaar?
Misschien is emotionele beschikbaarheid nochtans iets veel eenvoudigers en tegelijk veel moeilijkers: kunnen verdragen dat er in jezelf iets gebeurt zonder dat je het onmiddellijk hoeft te veranderen.
Dat is de eerste functie van die innerlijke moeder: containment, noemen ze het in de tekst. Een vreemd woord voor iets heel menselijks. Het is het vermogen om een emotie vast te houden zonder ze meteen af te reageren, weg te duwen of erdoor overspoeld te worden. Het is kunnen zeggen: dit is er nu. Ik hoef nog niet te weten waarom. Ik hoef er geen besluit aan te verbinden. Het mag even naast me zitten. Het voelt veilig.
Dat klinkt vanzelfsprekender dan het is.
Want hoeveel gevoelens krijgen bij ons eigenlijk de kans om gewoon gevoelens te zijn? Hoe snel maken we van verdriet een analyse, van angst een plan, van verlangen een beslissing? We willen zo graag weten wat iets betekent dat we soms vergeten eerst te voelen wat het ís.
Daarvoor moet je trouwens wel kunnen merken wat er in je gebeurt. Ook dat is een vorm van zorg: aandacht hebben voor de subtiele signalen die je onderweg gemakkelijk leert negeren. Weten wanneer je moe bent, wanneer iets te veel wordt, wanneer je ergens geen zin in hebt, wanneer je verlangt naar nabijheid of juist naar rust. Het lichaam zien als iets wat ertoe doet, en niet alleen als het voertuig waarmee we onszelf van de ene verplichting naar de volgende slepen.
Ik vind dat een interessante gedachte, omdat we onszelf zo vaak behandelen alsof we een agenda op pootjes zijn. Tot we uitgeput zijn of ziek worden, uiteraard. Dan wordt het lichaam plots heel belangrijk.
De innerlijke moeder, zegt de tekst, heeft ook een beschermende functie. Dat vind ik misschien nog wel de meest onderschatte vorm van zelfzorg. Bescherming klinkt minder aantrekkelijk dan zachtheid, maar soms is het precies wat nodig is. Niet alles wat bij je aanklopt, hoeft naar binnen. Niet elke mening verdient een reactie. Niet iedereen die iets van je nodig heeft, heeft daarom recht op je tijd. En niet elke relatie wordt beter doordat jij altijd begrijpt, vergeeft en beschikbaar blijft.
Een gezonde binnenwereld heeft blijkbaar ook een deur.
Dat betekent niet dat je jezelf moet afsluiten. Eerder dat je leert onderscheid maken. Wat doet me goed? Wat put me uit? Waar word ik groter van en waar word ik kleiner? Het is een beetje zoals onze huid: ze maakt contact met de buitenwereld mogelijk juist doordat ze niet alles doorlaat.
En dan is er nog iets waar ik zelf misschien wel het meest over struikel: de kunst om jezelf te troosten zonder te vechten of te vluchten.
Wanneer we van streek zijn, willen we vaak zo snel mogelijk terug naar normaal. We willen weer rustig worden, productief, redelijk, aangenaam gezelschap voor onszelf en voor de anderen. Maar misschien hoeft ontregeling niet onmiddellijk bestreden te worden. Misschien mag je soms een tijdje een mens zijn die het niet weet, die verdrietig is, die bang is, die zich heeft vergist of gewoon een rotdag heeft.
Troosten is niet hetzelfde als zeggen dat het allemaal wel meevalt. Troosten is misschien juist: ik zie dat het niet meevalt, en ik blijf bij je terwijl het minder erg wordt. Zoals bij eb wachten tot het weer vloed wordt, zoiets. Dat laatste vind ik een verrassend krachtige omschrijving van emotionele beschikbaarheid.
Want we vragen nogal vaak van andere mensen of ze emotioneel beschikbaar zijn. Kan mijn partner luisteren? Kan mijn vriend(in) er zijn als ik het moeilijk heb? Kan iemand mijn verdriet verdragen zonder het kleiner te maken of meteen met een oplossing te komen? Allemaal terechte vragen. Maar misschien is er een vraag die daar nog aan voorafgaat: kan ik dat zelf?
Kan ik bij mezelf blijven wanneer ik mezelf even niet zo leuk vind? Wanneer ik jaloers ben, onzeker, boos of verdrietig? Kan ik luisteren naar wat mijn lichaam al een tijdje probeert te zeggen? Kan ik mezelf beschermen tegen wat me geen goed doet? En, misschien nog belangrijker, geef ik mezelf eigenlijk genoeg van wat een mens nodig heeft om te gedijen?
Rust, bijvoorbeeld. Of vriendschap. Schoonheid. Humor. Stilte. Dagelijkse komkommertijd. Een beetje nutteloosheid. Iets maken zonder dat het ergens toe moet leiden. Liefde die niet verdiend hoeft te worden. Een plek waar je niet voortdurend hoeft uit te leggen waarom je bent zoals je bent.
Nourishment, noemt de tekst het. Voeding. Ook dat vind ik een mooi woord, omdat het suggereert dat leven niet alleen bestaat uit volhouden. Een mens heeft niet genoeg aan niet instorten. We hebben ook dingen nodig die ons werkelijk voeden.
Misschien is dat uiteindelijk waarom het beeld van de innerlijke moeder me zo bijblijft. Niet omdat we allemaal een ideale moeder in ons zouden moeten installeren, en al helemaal niet omdat deze eigenschappen uitsluitend iets vrouwelijks zouden zijn. Ik denk eerder dat er in elk van ons een vermogen kan groeien om op een bepaalde manier voor onszelf te zorgen. Een stille, aandachtige aanwezigheid die niet meteen wegkijkt wanneer er iets pijn doet. Wachten zou Dirk De Wachter zeggen.
Misschien ontstaat emotionele beschikbaarheid daar.
Niet wanneer we geleerd hebben om altijd rustig, begripvol en goed gereguleerd te zijn. Maar wanneer we onszelf niet langer verlaten op de momenten waarop we dat het hardst nodig hebben.
Ik begon aan dit stuk omdat ik wilde nadenken over mensen die emotioneel niet beschikbaar zijn voor anderen. Over wat er gebeurt wanneer iemand dichtklapt, wegloopt, rationaliseert of zich verschuilt achter zelfstandigheid. Maar terwijl ik schrijf, vraag ik me af of de interessantere vraag niet deze is: Wie blijft er bij mij als ik het moeilijk heb?
Misschien is het antwoord daarop niet alleen de naam van iemand die naast me zit. Misschien ben ik dat zelf, alsmaar iets meer, alsmaar iets intenser.



Opmerkingen