Wat als het probleem niet de mens is, maar onze manier van kijken?
- Luc Van De Steene
- 13 dec 2025
- 4 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 14 dec 2025

Zolang we lichaam en geest blijven scheiden, blijven we mensen verliezen.
We zien het lijden toenemen, maar we stellen steeds minder vragen over wat het ons wil zeggen.
Wat als het probleem niet is dat mensen te zwak zijn, maar dat we weigeren te luisteren naar wat hun lijden probeert te zeggen?
Het tekort van weleer heeft zich vastgezet op het zelfbeeld.
Euthanasie bij psychisch lijden, mentale nood bij jongeren, eetstoornissen, intergenerationeel trauma zijn geen losse casussen. Ze zijn varianten van hetzelfde grondprobleem: een mens die wordt benaderd als een kapot systeem in plaats van als een betekenis-dragend geheel.
Toen een 26-jarige vrouw euthanasie vroeg wegens ondraaglijk psychisch lijden, klonk er iets wat zelden klinkt: een opvallende eenstemmigheid. Er werd erkend dat het lijden reëel was. Dat het uitzichtloos voelde. Dat de geestelijke gezondheidszorg tekortgeschoten was. Even leek het alsof we collectief durfden toegeven dat dit geen individueel falen was, maar een structureel probleem.
Opmerkelijk genoeg bleef die erkenning uit toen afgelopen week de cijfers verschenen over de explosieve toename van mentale problemen bij jonge mensen: burn-out, depressie, angststoornissen. De verontrusting was groot, de analyses talrijk, maar het woord tekortschieten viel zelden. Alsof deze problemen uit het niets komen. Alsof ze losstaan van hoe we als samenleving met psychisch lijden omgaan.
Eens te meer lijken jonge mensen het ongemak aan zichzelf te danken te hebben. Ze zouden te veel keuzevrijheid hebben, lees ik bij een expert, en daar niet mee kunnen omgaan. Alsof psychisch lijden het gevolg is van een persoonlijk onvermogen, niet van een context die voortdurend appelleert aan prestatie, vergelijking en zelfoptimalisatie.
En dan zwijgen we liever over de rol van sociale media; niet als oorzaak, maar als versterker. Ze voeden geen leegte van buitenaf, ze echoën wat intern al woelt: onzekerheid, versnippering, een denken dat geen bedding vindt. En dan zijn er de vele verhalen over eetstoornissen. Getuigenissen die blijven terugkeren, schrijnend in hun gelijkenis. Jongeren, vaak meisjes, die jarenlang tussen (gesubsidieerde) wachtlijsten, behandeltrajecten en herval pendelen. Ook daar klinkt steeds vaker de verzuchting: er wordt geholpen, maar niet geraakt. Behandeld, maar niet begrepen.
Wat deze verhalen met elkaar verbindt, is niet één diagnose, noch één falend instituut. Het is iets fundamentelers: een mensbeeld dat nog altijd steunt op een hardnekkige scheiding tussen lichaam en geest.
Die scheiding is oud, cultureel diep verankerd en ogenschijnlijk efficiënt. Ze laat toe om te meten, te classificeren, te behandelen. Maar ze laat weinig ruimte voor betekenis. Voor de vraag wat psychisch lijden zegt, waar het vandaan komt, en waarom het zich precies op deze manier toont.
Neem een eetstoornis. Aan de oppervlakte gaat het over eten, over gewicht, over controle. Over een lichaam dat te weinig voeding krijgt. Maar wie alleen daar blijft kijken, mist de kern. Ook de geest lijdt honger. Niet naar calorieën, maar naar iets wat ooit ontbrak: veiligheid, erkenning, bedding, liefde. Dat tekort verdwijnt niet. Het nestelt zich. Het hecht zich vast aan het zelfbeeld en vindt een uitweg via het lichaam; het meest tastbare, het meest controleerbare wat een mens heeft. Er wordt ons geleerd níet te luisteren naar ons lichaam, dat ook, en zelfs daarin te volharden — tot de eerste dood (burn-out) erop volgt.
Dat verklaart ook waarom de verhouding tot het eigen lichaam zo problematisch wordt. Het lichaam wordt drager van iets wat ouder is dan het huidige gedrag. Iets wat herinnert. Iets wat nooit helemaal gezien werd. Bij vrouwen ligt die dynamiek nog gevoeliger, omdat hun lichaam cultureel al zo beladen is met verwachtingen, oordelen en projecties.
In dat licht is een eetstoornis geen irrationele afwijking, maar een extreme vorm van zelfdestructie die ergens op gedijt. De vraag is dan niet alleen hoe we dat gedrag stoppen, maar waarom het nodig werd.
De reguliere geestelijke gezondheidszorg heeft hier onmiskenbaar inspanningen geleverd. Ze redt levens. Ze biedt structuur. Ze vermindert risico’s. Dat mag gezegd worden. Maar haar dominante, eenzijdig klinische benadering schiet tekort zodra lijden niet louter functioneel of gedragsmatig is. Wanneer betekenis, geschiedenis en innerlijke verdeeldheid een rol spelen, volstaat het niet om symptomen te bestrijden of gedrag bij te sturen.
Zeggen dat men “het gedrag gaat veranderen” klinkt hoopvol, maar blijft vaak steken in manipulatie — zij het goedbedoeld — zolang diep inzicht ontbreekt, niet wordt aangereikt. Zolang de mens wordt aangesproken als iemand die moet vechten tegen een deel van zichzelf, blijft de muur tussen lichaam en geest overeind. En zolang die muur blijft staan, blijft herval mogelijk.
👉 gedrag corrigeren ≠ inzicht geven
👉 symptoombestrijding ≠ heling
👉 vechten tegen de stoornis versterkt vaak de scheidingEen meer helpende benadering vertrekt vanuit een ander uitgangspunt: de stoornis, welke vorm ze ook aanneemt, is een deel van de persoon, niet diens identiteit, maar ook niet diens vijand. Ze draagt informatie. Ze vertelt iets over wat ooit niet geïntegreerd kon worden. Pas wanneer die betekenis wordt onderzocht, kan echte verandering plaatsvinden.
Dat wordt pijnlijk zichtbaar wanneer eetstoornissen zich intergenerationeel herhalen. Wanneer een moeder en later ook haar dochter ermee worstelen. Dan wordt duidelijk dat we niet te maken hebben met individuele ontsporingen, maar met onzichtbare overdrachten van onverwerkt psychisch materiaal. Onzichtbaar, ja — maar misschien alleen omdat we geleerd hebben niet te kijken.
Soms klinkt het dan: “Zelfs een psychiater of psycholoog met een diploma kan er niet voor zorgen dat het overgaat.” Dat is geen pleidooi tegen expertise. Het is wel een uitnodiging tot zelfreflectie. Want wat als een diploma vooral garandeert dat iemand binnen een bepaald kader leert kijken, en dat dat kader zelf te smal is geworden? Wat als een diploma bewijst dat het systeem mensen beloont voor technische beheersing, niet voor existentiële ontvankelijkheid?
Dit is geen oproep om de GGZ af te breken. Het is een oproep om haar mensbeeld te verruimen. Om ruimte te maken voor de kracht van de eigen geest, voor diep inzicht in plaats van louter controle, voor betekenis naast methode. Misschien moeten we minder snel vragen hoe we psychisch lijden kunnen doen verdwijnen. En vaker durven vragen wat het ons probeert te zeggen. Want wat als het probleem niet is dat mensen te zwak zijn, maar dat we al te lang weigeren echt te luisteren?



Opmerkingen