Wanneer een mens niet meer kán: over langdurig zieken, falende systemen en de honger naar begrip
- Luc Van De Steene
- 14 mei
- 3 minuten om te lezen

“Een kwart van de langdurig zieken zou onterecht een uitkering krijgen.” Het klinkt kordaat, efficiënt, bijna geruststellend. Alsof het probleem eindelijk benoemd is – en in sommige hoofden misschien al van de baan is. Alsof er orde kan worden geschapen in een onoverzichtelijk dossier.
Achter zo’n uitspraak schuilt een veel ongemakkelijkere vraag: wat betekent het eigenlijk om ziek te zijn?
Een kapotte rug kan men vaststellen op een scan. Een ontstoken long laat sporen na in bloedwaarden. Maar wat met een mens die langzaam is leeggelopen? Wat met iemand die na jaren van stress, angst, overbelasting of toxische werkomstandigheden simpelweg niet meer functioneert? Is deze mens ziek of opgebruikt?
Als duizenden, honderdduizenden mensen tegelijk uitvallen, wat zegt dat dan over de samenleving waarin zij moesten functioneren?
We spreken over ‘langdurig zieken’ alsof het om een afgelijnde categorie gaat. Maar achter dat administratieve label schuilt een wirwar van lichamelijke klachten, psychische uitputting, trauma, chronische stress, auto-immuunziekten, long covid, burn-outs en aandoeningen waarvoor de geneeskunde vaak nog geen sluitende verklaring of behandeling heeft.
Misschien ligt precies daar de ongemakkelijke waarheid: dat niet alles meetbaar is, niet alles zichtbaar en niet alles oplosbaar is binnen de klassieke biomedische logica.
Artsen kijken noodgedwongen door een medische bril. Dat is begrijpelijk: hun opleiding is gebouwd op classificatie, diagnose en behandeling. Maar wie enkel kijkt naar het lichaam als defect mechanisme, mist vaak het grotere verhaal. Een mens is geen verzameling organen.
Een mens draagt geschiedenis mee, stress, verlieservaring, financiële druk, relationele problemen, angst, een voortdurende prestatiedwang. Jarenlang functioneren in een toxische werkomgeving of thuissituatie laat niet alleen mentale sporen na, maar ook fysieke. Het lichaam incasseert mee, totdat het op een dag niet meer kan en dat ook aangeeft. Misschien bestaat er ook zoiets als een point of no return: het moment waarop chronische overbelasting zich vastzet in het zenuwstelsel, in ontstekingsreacties, in auto-immuunziekten of permanente uitputting.
Toch blijft het maatschappelijke antwoord opvallend eenzijdig: controleren, activeren, sanctioneren. Alsof langdurige ziekte vooral een kwestie van motivatie zou zijn. Alsof mensen massaal kiezen voor financiële achteruitgang, sociaal isolement en een leven dat krimpt tot overleven. Dat beleid verraadt niet alleen wantrouwen, maar ook onmacht: dit probleem laat zich niet lineair oplossen. Er bestaat geen eenvoudige hefboom waarmee je honderdduizenden mensen opnieuw ‘productief’ maakt.
Bovendien legt het hoge aantal langdurig zieken een diepere systeemcrisis bloot: de ontoereikendheid van onze geestelijke gezondheidszorg, het gebrek aan preventie, de afwezigheid van psycho-educatie, de wachtlijsten, het tekort aan gespecialiseerde zorg voor complexe aandoeningen zoals long covid of cvs. We dweilen met de kraan open en reageren vervolgens verontwaardigd omdat de vloer nat blijft. Kennelijk is het voor politici lucratiever om te blijven dweilen.
Zoals vaker in tijden van maatschappelijke onzekerheid ontstaat ook de behoefte aan een zondebok. Een samenleving die haar eigen problemen niet opgelost krijgt, richt haar blik vaak op de kwetsbaarsten. Het mechanisme is oud: families duiden een zwart schaap aan om niet naar hun eigen dysfunctioneren te moeten kijken; samenlevingen doen hetzelfde. De langdurig zieke wordt dan niet langer gezien als mens in nood, maar als verdachte – als kost, als dossier.
Achter elk dossier zit een werkelijkheid die zelden wordt gehoord.
Vanuit een menselijk standpunt kunnen we ons ook dit afvragen: hoeveel langdurig zieken krijgen onterecht géén uitkering? Hoeveel mensen blijven zonder behandeling omdat onderzoek uitblijft of omdat hun aandoening nog onvoldoende erkend wordt? Hoeveel patiënten betalen zelf duizenden euro’s voor tests, therapieën of off-label behandelingen in een poging iets van hun leven terug te winnen? Hoeveel gezinnen glijden door ziekte af richting armoede? Hoeveel mensen verliezen niet alleen hun inkomen, maar ook hun sociale identiteit, hun toekomstbeeld, hun waardigheid?
Misschien is de meest confronterende vraag van allemaal niet hoeveel langdurig zieken ons kosten, maar hoeveel wanhoop een samenleving bereid is te verdragen zolang die wanhoop statistisch beheersbaar blijft.
Wie jarenlang uitvalt of ziek is, verliest vaak veel meer dan gezondheid alleen. Vriendschappen verdunnen. Relaties komen onder druk. De dagen worden kleiner. De wereld vernauwt zich tot wachten – op erkenning, op hulp, op een behandeling, op begrip. Toch blijven velen verder doen, ondanks alles.
Jarenlang leven in overlevingsmodus is geen leven. Misschien zouden we dus een andere vraag moeten durven stellen. Niet: ‘Wie profiteert?’ Maar ‘Hoe hou je het eigenlijk vol?’
En zeker, dat bestaat ook: jarenlang gevangen zitten in comfortabel slachtofferschap, maar dat is van een totaal andere orde. Dat is voer voor diepgaande en vaak jarenlange therapie en daar bestaan ook grenzen.



Opmerkingen