Waarom we trauma nog steeds niet begrijpen (en wat het ons kost)
- Luc Van De Steene
- 20 dec 2025
- 5 minuten om te lezen

Wanneer het nieuws opnieuw volloopt met verhalen over grensoverschrijdend gedrag, verbaast telkens hetzelfde fenomeen me: de analyses blijven hangen in moraal (goed versus slecht), in individuele verantwoordelijkheid, of in oppervlakkige psychologische clichés. We mogen dan wel de eerste generatie zijn die erover spreekt, wat bijna nooit gebeurt: de link leggen met honderd jaar trauma-onderzoek. Alsof dat onderzoek niet bestaat. Alsof het niet gaat over ons.
Het is een opvallende blinde vlek, en een dure.
Ze houdt de traumatische ervaringen mee in stand.
Een geschiedenisles die we nooit kregen
Trauma-onderzoek begon niet gisteren. Eind 19de eeuw beschreven artsen en psychologen al traumatische symptomen zoals dissociatie en herbeleving — essentiële kenmerken weten we intussen. De wereldoorlogen maakten trauma zichtbaar bij grote groepen soldaten; toen sprak men over shell shock. Tienduizenden soldaten stortten in onder de last van herinneringen waarvoor geen taal bestond. Intussen weten we ook dat de spraakcentra in ons brein verlammen bij ernstig trauma.
Pas vanaf de jaren ’70 begon de puzzel vorm te krijgen. Feministische onderzoekers wezen op trauma door seksueel geweld, kindermishandeling en huiselijk geweld. In de jaren ’90 volgde de doorbraak van neurobiologisch en lichaamsgericht onderzoek. Het lichaam bleek een geheugen te hebben dat niet liegt. Trauma is geen kwestie van karakter. Het is een kwestie van zenuwstelsel, ontwikkeling, veiligheid, en overerfbare patronen van regulatie.
En toch …
Hoewel de wetenschap zich ontwikkelde, bleef onze cultuur achter — in het misbruik zelf én in de manier waarop we ermee omgaan.
Geweld en misbruik zijn geen nieuw fenomeen
Wie het thema historisch bekijkt, kan niet anders dan vaststellen dat geweld binnen gezinnen geen recent probleem is. In gedachten lees ik opnieuw Cyriel Buysse — De Biezenstekker (1890), Het recht van de sterkste (1893). Mishandeling, verkrachting en ernstige verwaarlozing, ook binnen het gezin, worden daar bijna terloops beschreven. Niet als uitzonderingen, maar als onderdeel van het sociale weefsel van die tijd.
De vraag dringt zich op: hoeveel is er werkelijk veranderd?
De materiële omstandigheden zijn zonder twijfel verbeterd; daar heeft beleid wél op ingezet. Maar welzijn, veiligheid en emotionele integriteit kregen historisch veel minder aandacht. Tot ver in de jaren ’50 en ’60 gold het in grote delen van Europa als normaal dat kinderen thuis zwaar geslagen werden. Niet symbolisch, maar lijfelijk en structureel.
Wat vandaag in zorgverlening en therapie zichtbaar wordt, zijn niet zozeer losse drama’s, maar lange lijnen. Verhalen waarin geweld, verwaarlozing, onveiligheid en emotionele afwezigheid elkaar opvolgen over generaties heen. Niet elk moeilijk leven is hierop te herleiden, maar opvallend vaak blijken ontwrichte, onveilige gezinssituaties de voedingsbodem van latere problemen.
Dat besef is geen beschuldiging van het verleden. Het is een uitnodiging om te begrijpen hoe diep geweld en misbruik in onze geschiedenis verankerd zijn — en waarom het naïef is te denken dat zulke patronen zich vanzelf oplossen zonder inzicht, erkenning en gerichte verandering.Waarom deze kennis zo traag doordringt
We onderschatten hoe diep onze morele reflexen zitten.
We willen daders veroordelen, en we laten ze op de grond wegkwijnen.
We willen slachtoffers geloven maar tegelijk met de ratio begrijpen wat er misging; victim blaming is zelden van de lucht.
We willen het lijden oplossen, of er een protocol op loslaten, terwijl erkenning geven vanuit menselijkheid en verbinding de allereerste stap is in heling en herstel.
We willen wel, maar de tijd ontbreekt binnen de reguliere, strak gereglementeerde zorg.
We willen duidelijke, meetbare lijnen, niet de grijze zone van een ontregeld zenuwstelsel.
We hebben bovendien decennialang gedaan alsof trauma een randfenomeen was: iets voor veteranen, voor problematische gezinnen, voor uitzonderlijke gevallen. Niet iets dat het dagelijkse relationele weefsel bepaalt.
Het resultaat?
In het publieke debat ontstaat een vreemde tweedeling: morele verontwaardiging of psychologiserend medelijden. En precies daartussen verdwijnt de realiteit van trauma — de realiteit die gaat over patronen, hechting, regulatie, generaties, levensloop, niet over slechte mensen.
We reageren alsof trauma een mening is, geen wetenschap.
Wat het ons kost om trauma niet te begrijpen
Het kost ons nuance.
Het kost ons preventie.
Het kost ons de capaciteit om écht te zien wat er onder gedrag zit.
En vooral: het kost ons verandering. Zolang we trauma als karakterfout begrijpen, blijven we oplossingen zoeken op het verkeerde niveau: strenger zijn, meer regels, meer controle, meer schaamte.
Allemaal strategieën die geen enkel zenuwstelsel ooit kalmer hebben gemaakt.
Wat er mogelijk wordt als we het wél begrijpen
Wanneer we trauma erkennen als een regulatie-probleem, een ontwikkelingskwestie, een systeemreactie, dan verschuift het perspectief. Drastisch.
We leren vroeg signalen herkennen, niet pas wanneer er slachtoffers vallen.
We begrijpen dat sommige vormen van schadelijk gedrag voortkomen uit onvermogen, niet uit onwil, en dat dit precies is waar vroeg ingrijpen werkt.
We stoppen met pathologiseren en beginnen met reguleren, herstellen, verbinden.
We kunnen werkelijk preventief werken: in scholen, organisaties, gezinnen, en zelfs in onze publieke ruimte.
Misschien nog het belangrijkste: we herstellen menselijke waardigheid aan alle kanten.
Het is geen pleidooi voor straffeloosheid.
Het is een pleidooi voor effectiviteit.
Wie trauma begrijpt, ziet dat verandering niet start met schuld, maar met bewustzijn en regulatie. Alleen wat begrepen wordt, kan ook getransformeerd worden.
Het is tijd dat de wetenschap eindelijk doorstroomt
We hebben meer dan een eeuw onderzoek. We hebben de kennis. We hebben de voorbeelden. Wat we missen, is de culturele integratie; het maatschappelijk besef dat trauma geen randfenomeen is, maar een basisdimensie van menselijk gedrag.
Zolang dat besef uitblijft, blijven we schrikken van het nieuws, praten we langs elkaar heen, zoeken we oplossingen op de verkeerde plek, en blijven we verbaasd uitroepen: hoe is het toch mogelijk!
Zodra het wél doordringt, wordt er iets mogelijk wat we ons nu nauwelijks durven voorstellen: een samenleving die niet alleen reageert op schade, maar voorkomt dat ze ontstaat.
Trauma-onderzoek: jong discours, oude wetenschap
Eerste sporen (1880–1900)
Jean-Martin Charcot: werkt met patiënten met “hysterie”, waarvan we nu begrijpen dat veel symptomen traumagerelateerd zijn.
Pierre Janet: beschrijft al dissociatie en traumatische herinneringen — verbazend modern.
Sigmund Freud (heel vroeg werk): onderzoekt seksueel trauma bij jonge vrouwen, maar trekt zijn bevindingen deels in vanwege maatschappelijke weerstand.
De oorlogen: alles versnelt (1914–1970)
Na WOI wordt de term shell shock (granaatschok) gebruikt voor soldaten met wat we nu PTSD zouden noemen.
Oorlogsveteranen (WOII, Korea, Vietnam) brengen trauma definitief in beeld.
Onderzoek focust op flashbacks, nachtmerries, hyperalertheid — eerder symptomen dan het hele plaatje van trauma.
Moderne traumapsychologie (1970–1980)
Feministische bewegingen brengen seksueel misbruik, partnergeweld en incest naar voren als trauma, niet als moreel probleem.
Onderzoekers werken rond vroegkinderlijk trauma, hechting, complex trauma, ontwikkelingsstoornissen door langdurige onveiligheid.
Judith Herman: Trauma and Recovery (1992, een mijlpaal.
PTSD officieel opgenomen in de DSM-III (1980).
De erkenning dat trauma niet alleen oorlogstrauma is.
Neurobiologische revolutie (1990–2000)
Bessel van der Kolk: pionier in het verbinden van lichaam, brein, geheugen en trauma.
Peter Levine: ontwikkeling van Somatic Experiencing, gebaseerd op observatie van dieren en fysiologie.
Allan Schore: neurobiologie van hechting en vroege ontwikkeling.
Stephen Porges: polyvagaaltheorie (begin jaren ’90).
Deze fase is de echte doorbraak naar het lichaam, zenuwstelsel en ontwikkeling.
Trauma-onderzoek vandaag (2000–2025)
Er is robuust bewijs voor intergenerationeel trauma, epigenetische effecten, en de rol van veilige hechting als buffer.
Onderwijs, jeugdhulp, geneeskunde en justitie beginnen (langzaam) trauma-sensitief te denken.



Opmerkingen