top of page

Het ongemak rond AI

AI confronteert ons niet alleen met nieuwe technologie, maar ook met een oude vraag: wat gebeurt er eigenlijk wanneer wij denken? (Foto © Unsplash)
AI confronteert ons niet alleen met nieuwe technologie, maar ook met een oude vraag: wat gebeurt er eigenlijk wanneer wij denken? (Foto © Unsplash)

Er is iets in het AI-debat – met bijbehorend haantjesgedrag – dat steevast over het hoofd wordt gezien. AI is een taalmodel, onder meer, maar de mens beschikt zelf ook over een taalmodel dat ‘af fabriek’ is ingebouwd. Het onze is uiteraard niet technologisch, maar wel cognitief. Wat het doet: het construeert, reconstrueert, voorspelt en dat aan de lopende band. Het werkt alleen ontiegelijk veel trager. 


Een opvallende parallel is dat ons eigen taalmodel denkfouten maakt – en meer dan we denken, want meestal buiten ons bewustzijn om. Bij AI spreken we, zoals bekend, over hallucinaties en of we dat nu willen of niet: ze komen aan het licht; vroeg of laat, maar in elk geval veel vroeger dan onze eigen denkfouten. 


De interessante vraag is namelijk niet alleen wat AI doet, maar ook wat het blootlegt. 


Het frappeert me dat sommige opiniemakers en online commentatoren er zichtbaar plezier in lijken te vinden om publieke figuren te betrappen op AI-gebruik – alsof een detectiesysteem plots belangrijker wordt dan de inhoud zelf. Sociale media versterken daarenboven een mechanisme waarbij verontwaardiging, ontmaskering en publieke correctie vaak meer aandacht genereren dan nuance. Controverse is voor sommigen nu eenmaal een verdienmodel geworden – tot zelfs een identiteit. 


Kort, AI is een technologisch hulpmiddel en, zoals ons eigen fenomenale maar niet-perfecte brein, produceert het ook vertekeningen en fouten. 


Het menselijk taalmodel werd ooit uitgewerkt door Noam Chomsky (1928) in zijn Transformationeel-Generatieve Grammatica (TGG) – ik leerde dat lastige beest kennen rond het jaar 1984. Chomsky stelt dat ons taalvermogen, het menselijk vermogen om taal te verwerven, biologisch aangeboren is. Het is te vergelijken met een universele grammatica: een onbewust, universeel netwerk van grammaticale regels en structuren dat elke mens in zich draagt. Het maakt taalontwikkeling mogelijk en in die ontwikkeling verschillen we. Chomsky was in de eerste plaats een taalkundige en later notoir luis in de pels van het establishment. 


Volgens zijn theorie bestaat taal niet enkel uit zichtbare woorden en zinnen, de oppervlaktestructuur, maar ook uit een dieperliggende structuur. Tussen beide werken transformatieregels die betekenis mogelijk maken. Taal is dus niet louter communicatie, maar ook een mentale architectuur. In dit AI-tijdperk is dat een interessant en confronterend gegeven.  


Moderne AI-systemen functioneren eveneens als taalmodellen, al is het verschil met Chomsky’s visie fundamenteel. Waar Chomsky taal beschouwt als een biologisch verankerd menselijk vermogen met onderliggende grammaticale structuren, werken AI-modellen statistisch en computationeel. Ze begrijpen taal niet zoals mensen dat doen, maar berekenen waarschijnlijkheden op basis van immense hoeveelheden data. Toch produceren ze taaluitingen die voor mensen verrassend herkenbaar en betekenisvol klinken.


Dat verschil blijft essentieel. Menselijke taal is verbonden met bewustzijn, lichamelijke ervaring, intentie, emotie, context en sociale werkelijkheid. Een mens spreekt niet alleen volgens patronen, maar vanuit een beleefde wereld. AI bezit die ervaringslaag niet. Het systeem kent geen betekenis in menselijke zin, geen twijfel, geen herinnering, geen existentiële betrokkenheid. En toch volstaat statistische patroonherkenning blijkbaar om iets te produceren dat sterk op menselijke taal en redenering lijkt. Precies daarin schuilt een deel van de fascinatie én de onrust.


AI maakt niet enkel artificiële intelligentie zichtbaar, maar in zekere zin ook de structuur van ons eigen denken – inclusief het eigen denkkader. Het confronteert ons met de mogelijkheid dat taal, betekenisvorming en zelfs intelligentie deels berusten op herkenbare patronen, structuren en transformaties.  


Dat betekent geenszins dat we tot machines worden gereduceerd, maar het is wel een ongemakkelijke verschuiving in perspectief. We moeten eraan wennen. Lange tijd hebben we aangenomen dat menselijke taal vrijwel onaantastbaar is, dat ze intuïtief, creatief en uniek is. Nu blijkt een systeem te bestaan dat diezelfde taal verbazingwekkend overtuigend weet te benaderen.


Ik verwees al naar het jaar 1984. Het gelijknamige boek van George Orwell is namelijk om meerdere redenen weer actueel. Orwell zag in dat taal en denken onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wanneer woorden verdwijnen, verdwijnt ook nuance, en wanneer nuance verdwijnt, verschraalt ook het denken. Soms stopt het denken. De geschiedenis heeft dat onthouden. De mens iets minder. 


O nuance, waer bestu bleven? 


Taal is niet enkel een middel om gedachten uit te drukken, maar ook een voorwaarde om ze te kunnen vormen. Misschien ligt daar wel de diepere reden waarom taal altijd meer is geweest dan techniek alleen, maar allicht niet bij iedereen. Als ik voor mezelf mag spreken: rond dat jaar 1984 wilde ik vooral de woorden vinden om verder te blijven denken – mijn taal, mijn intellectuele bestaansvoorwaarde.


Vanuit dat perspectief wordt ook de maatschappelijke reactie op AI begrijpelijker. De heftigheid van sommige reacties gaat zelden uitsluitend over efficiëntie, fraude of auteurschap.  


Wie AI gebruikt, wordt soms niet alleen bekritiseerd om wat hij doet, maar bijna om wat hij vertegenwoordigt. Kritiek blijft vanzelfsprekend noodzakelijk, maar de morele felheid waarmee sommige gebruikers worden weggezet, roept ook vragen op. Wat is de eigenlijke intentie? Het motief? Wat wordt er precies verdedigd? Gaat het over kwaliteit, inspanning, menselijke authenticiteit, ideologische reflexen?  


Sommigen bouwen zichtbaar op controverse en polarisatie. De reacties die ze uitlokken, vormen mee hun publieke relevantie en online aanwezigheid. Sociale media belonen dat mechanisme voortdurend.


De neiging om de ander intellectueel of moreel te diskwalificeren omwille van AI-gebruik verraadt niet zelden een onderliggende onzekerheid, namelijk de vrees dat iets wat lang exclusief menselijk leek, nu reproduceerbaar blijkt en dus helemaal niet zo uniek is. Er ontbreekt iets essentieels bij het onderuit halen: de ander als mens blijven zien. Het wijst op ontmenselijking, of althans een poging tot. 


De kern van de huidige spanning rond AI is misschien dit: niet dat machines denken zoals mensen en snel cognitief sterker worden, maar dat we beginnen te vermoeden dat een deel van ons eigen denken structureler en mechanischer is dan we altijd hebben willen geloven. Dat kan als een bedreiging overkomen. 

 
 
 

Opmerkingen


  • Black Twitter Icon
  • Black Facebook Icon

© 2025 by Luc Van De Steene. Powered and secured by Wix

bottom of page