De mens die overal zout op legt
- Luc Van De Steene
- 18 mei
- 3 minuten om te lezen

Er bestaan mensen die op duizend slakken zout kunnen leggen.
Niet omdat ze kwaadaardig zijn. Integendeel. Vaak zijn het aandachtige, betrokken mensen, met een scherp oog voor omgangsvormen en sociale afspraken. Ze zien wat anderen niet meer lijken te zien: de man die luid telefoneert in de stiltecoupé, de fietser die geen rekening houdt met voetgangers, de reiziger die zich gedraagt alsof de publieke ruimte exclusief voor hem bestaat.
En eerlijk, ze hebben vaak nog gelijk ook.
Alleen schuilt daar een gevaar in.
Wie voortdurend registreert wat er misloopt, wie telkens opnieuw innerlijk opveert bij elk klein gebrek of storend gedrag, raakt op de duur zijn mentale bewegingsruimte kwijt. De geest vernauwt ongemerkt. Wat begint als waakzaamheid eindigt soms als permanente irritatie.
De mens die alles wil corrigeren, wordt uiteindelijk door alles gestoord.
Het is een van de paradoxen van onze tijd: nooit eerder hadden we zoveel mogelijkheden om onze ergernis te delen, te bevestigen en uit te vergroten. Sociale media zijn haast de echokamer van onze dagelijkse verontwaardiging. Iedereen heeft verhalen: over asociaal gedrag, over egoïsme, over “hoe het tegenwoordig is geworden”.
Je kunt er niet naast kijken: de publieke ruimte ís onbeleefder, gehaaster en harder geworden. Maar tegelijk gebeurt er nog elke dag iets anders, iets stillers: duizenden mensen die wél plaats maken, wél vriendelijk blijven, wél rekening houden met elkaar. Alleen schrijven we daar zelden een bericht over.
Ergernis heeft iets verslavends. Je ergeren geeft een gevoel van morele helderheid. Kijk eens hoe scherp ik nog zie wat hoort. Kijk eens hoe de normen vervagen. Maar wie niet oppast, gaat zichzelf stilaan organiseren rond die irritatie. Dan wordt de ergernis geen voorbijgaande emotie meer, maar een identiteit.
Precies daar gaat iets kostbaars verloren.
Want ruimdenkendheid vraagt mentale ruimte, flexibiliteit en het vermogen om niet elke botsing met de werkelijkheid onmiddellijk als een persoonlijk affront of maatschappelijk verval te ervaren. Een mens die voortdurend gespannen staat tegenover de wereld, houdt minder innerlijke ademruimte over voor nuance, humor, mildheid.
Dat is misschien ook de reden waarom sommige ogenschijnlijk ‘principiële’ mensen op de duur zo vermoeid klinken. Alsof ze permanent in gevecht zijn met een werkelijkheid die weigert zich fatsoenlijk te gedragen.
Misschien moeten we hier ook milder durven kijken. Wie zich voortdurend ergert, is niet noodzakelijk een slechtgezinde of bekrompen mens. Soms is de irritatie – op duizend slakken zout leggen – gewoon een symptoom van uitputting.
Een geest met voldoende rust kan veel verdragen. Een overbelast hoofd verliest zijn buffer. Geluiden komen harder binnen, sociale frictie blijft langer hangen, kleine normovertredingen voelen plots disproportioneel groot. Wat vroeger geruisloos voorbijging, blijft nu steken.
Het is misschien wel een van de minst besproken signalen van onze tijd: dat mensen niet alleen moe worden, maar ook hun innerlijke veerkracht verliezen.
Wie overal zout op legt, probeert soms niet de wereld te controleren, maar zichzelf overeind te houden.De stoïcijnen begrepen dat eeuwen geleden al beter dan wij. Zij maakten een eenvoudig onderscheid: wat ligt binnen mijn invloedssfeer, en wat niet? Het gedrag van andere mensen behoort meestal tot die tweede categorie. Dat betekent niet dat je nooit iets mag zeggen of nooit grenzen mag trekken. Wel dat je je innerlijke rust niet volledig afhankelijk maakt van de vraag of onbekenden zich correct gedragen.
Zodra je gemoedsrust afhangt van de perfectie van anderen, ben je overgeleverd aan een leven van voortdurende frustratie. Misschien moeten we daarom minder energie steken in het corrigeren van elke slak op de weg, en iets meer in het bewaken van onze eigen geestelijke ruimte. Niet uit onverschilligheid, maar uit wijsheid.



Opmerkingen