Ongeziene tijden
- Luc Van De Steene
- 27 jun
- 4 minuten om te lezen

De mens roept telkens dat hij in ongeziene tijden leeft. Maar wat is dat anders dan een misvatting van een bewustzijn dat opgesloten zit in zijn eigen heden? Misschien is het wel de fundamentele beperktheid van de mens: we zien scherp wat zich vlak voor ons afspeelt, maar nauwelijks de patronen die zich door de tijd heen herhalen.
Leven we werkelijk in ongeziene tijden? We zijn slechts passanten in een beweging die lang voor ons begon en lang na ons zal doorgaan. Het hoogste waartoe we als mens in staat zijn, is een handvol liefde toevoegen. Toch krijgen we dagelijks een bloedtransfusie van angst toegediend. Elke crisis wordt voorgesteld als ongezien, elke breuk als definitief, elke generatie als uitzonderlijk. Alsof de geschiedenis telkens opnieuw begint.
Het heden is geen breuklijn, maar een stroom. Alleen een bewustzijn dat zichzelf tot maat van alle dingen verheft, ervaart zijn eigen tijd als uniek. De waarheid is minder flatterend: wij zijn gevangenen van patronen die we zelden herkennen, niet omdat ze verborgen zijn, maar omdat ons bewustzijn beperkt is. Het ziet gebeurtenissen, maar het heeft moeite met de structuren die eronder liggen.
Nietzsche schreef dat de mens die de geschiedenis niet verwerken kan, door haar verpletterd wordt. Wat niet opgenomen wordt, keert terug; niet letterlijk, maar als vermomde echo. Zo sleept de mensheid onafgebroken haar onafgemaakte werkstukken mee. Het heden is geen nieuw hoofdstuk, maar de onafgewerkte zin van gisteren, die telkens opnieuw begint. Ooit krijgt ook die zin een punt. Niemand weet wanneer.
Onze cultuur heeft intussen de ratio verheven tot de hoogste rechter. Alles wat zich niet laat berekenen, meten of verklaren, schuiven we terzijde. Daarmee verliezen we precies datgene waaraan de mens steeds onderworpen blijft: driften, begeerten, macht en vernietiging. Hannah Arendt wees erop dat de grootste gevaren niet altijd demonisch zijn, maar vaak banaal: ze ontstaan uit een onvermogen of een onwil om werkelijk te denken.
Het rationele verstand kan moeilijk omgaan met het irrationele theater van de macht. Het ziet de maskers, maar niet het gezicht erachter. Het registreert feiten, maar begrijpt geen patronen. Zo wordt de rede machteloos tegenover datgene wat zij weigert te erkennen.
Wanneer een leider optreedt als acteur, als narcistische regisseur van zijn eigen toneelstuk, blijven wij analyseren terwijl het spektakel zich verder ontvouwt. Het kwaad verschijnt zelden als monster. Het verschijnt als spel, als performance, als vermomming. Onze onmacht ligt niet zozeer in het feit dat we het niet herkennen, maar in het feit dat we weigeren de logica ervan ernstig te nemen.
Sommige mensen zien scherper dan anderen. Vaak zijn het buitenstaanders, filosofen, kunstenaars of uitzonderlijk scherpe geesten. Zij herkennen patronen waar anderen slechts opeenvolgende gebeurtenissen zien. Dat is geen privilege van een elite, maar een houding: de bereidheid om voorbij het onmiddellijke te kijken en te erkennen dat niet alles wat werkelijk is, zich laat vangen door de rede alleen.
Filosofie is daarom geen luxe, maar een noodzakelijke oefening in historisch bewustzijn. Zij probeert niet de toekomst te voorspellen, dan wel de herhaling zichtbaar te maken. Zonder die inspanning blijven macht, verval en zelfdestructie zich aandienen onder steeds nieuwe namen.
Toch is er één plaats waar zich wél iets ongeziens voltrekt. Niet in de mechanismen zelf, maar in de schaal waarop ze werkzaam zijn.
Sociale media vormen geen nieuw mensbeeld, maar een ongekende versterker van oude menselijke neigingen. Wat zich vroeger afspeelde in besloten zalen, pamfletten of krantenkolommen, ontvouwt zich nu ogenblikkelijk, wereldwijd en binnen een algoritmische orde waarin juist de oudste menselijke driften systematisch worden beloond. De mechanismen zijn oud: propaganda, groepsvorming, verdachtmaking, censuur en imitatie. De snelheid en de schaal waarop ze zich verspreiden zijn dat niet. Dat is ongezien.
Daarin schuilt een paradox. Digitale media geven een stem aan wie vroeger ongehoord bleef, maar versterken tegelijk vooral wat luid, simplistisch en polariserend is. Filosofie, die tijd, twijfel en verdieping nodig heeft, begint daardoor met een aanzienlijke achterstand.
En waar zijn intussen de filosofen zelf?
Deels ligt de oorzaak buiten hen. Onze cultuur heeft weinig geduld met traagheid. Filosofie verdraagt zich slecht met de logica van verkiezingsdebatten, talkshows en een eindeloze nieuwsfeed. Wat niet onmiddellijk overtuigt of polariseert, verdwijnt naar de achtergrond.
Maar ook de filosofie draagt verantwoordelijkheid. Te vaak sluit ze zich op in academisch jargon of laat ze zich gebruiken als intellectueel vernis voor bestaande machtsstructuren. Waar kritische afstand nodig is, ontstaat soms conformisme; waar moed vereist is, klinkt stilzwijgen.
Misschien is er nog een derde mogelijkheid. Sommige filosofen zwijgen omdat zij juist zien hoe weinig uitzonderlijk onze tijd werkelijk is. Voor hen is het heden geen radicale breuk, maar de zoveelste variatie op een oud patroon. Daar raakt het denken aan het nihilisme.
Maar begrijpen is niet hetzelfde als berusten. Wie zwijgt vanuit inzicht, laat de illusie ongemoeid. Juist daarom zouden filosofen moeten spreken: niet om elk nieuw incident van commentaar te voorzien, maar om ons eraan te herinneren dat het nieuwe vaak slechts een oude vermomming draagt.
Misschien leven we dus niet in ongeziene tijden. Misschien leven we in een tijd die haar historisch geheugen verloren heeft. De mechanismen zijn oud. De schaal waarop ze zich vandaag ontvouwen is nieuw. Wie alleen die schaal ziet, vergeet de geschiedenis. Wie alleen de geschiedenis ziet, onderschat de schaal.
Het werkelijke gevaar schuilt niet in de herhaling zelf, maar in een bewustzijn dat haar telkens opnieuw vergeet.



Opmerkingen