Onze Maurice
- Luc Van De Steene
- 23 sep 2025
- 2 minuten om te lezen

Onze Maurice, zo werd hij genoemd. Hij leefde in een gezin zo groot als een elftal. Lang geleden. Andere tijden. Voetballen kwam er niet aan te pas, werken des te meer — en niet zomaar een beetje. Hard labeur. Handen als kolenschoppen. Een groot en sterk gezin, en grootvader zaliger was een van de elf. Geen elfje. Maar goed gekend heb ik hem nooit. Niet beter dan mijn eigen vader. Want de ander écht kennen — zeker je vader — dat is misschien wel onmogelijk. Allebei zwijgzame mannen. Vanbinnen leeuwen. De appel, de boom. En op hun rug een onzichtbare rugzak, gevuld met wat nooit gezegd werd.
‘Ge moest eens weten’, zei hij vaak. Mijn vader zei dat ook. Ze wisten het, of ze wisten het niet; ik zal het nooit weten. Het zijn van die zinnen die klinken als een deur die opengaat — maar nooit helemaal openzwaait. Je wacht op een onthulling, maar er komt niets, en als kind vraag je niet verder.
Ik herinner me flarden. Een zeldzaam verhaal over een zekere Icarus. Duidelijk iemand van buiten het dorp. Het klonk bijna mythisch. In mijn hoofd ging het over hoogmoed, over vallen van je paard, over vleugels die smelten in de zon. Socrates zei het al: het enige wat ik weet is dat ik niets weet. Dat wist ik toen nog niet. Maar Maurice vond zijn kinderen en kleinkinderen intelligent, en ze waren met velen — hele elftallen samen. Hij zag ze allemaal graag. Twee stille mannen, maar met meer te vertellen dan al onze Vlaamse minister-boekhouders bij elkaar.



Opmerkingen