Mentaal gezond blijven in een dolgedraaide wereld
- Luc Van De Steene
- 3 mrt
- 4 minuten om te lezen

Het lijkt alsof de wereld op een te hoog toerental draait en dat is nog zacht uitgedrukt. Alsof we met z’n allen in een voertuig zitten waarvan het gaspedaal is blijven hangen. Elke dag een lawine aan nieuwsflitsen, meningen, verwachtingen, deadlines. Alles vraagt tegelijk onze aandacht, maar aandacht is geen bodemloze put.
Ik merk het ook bij mezelf: ik lees, reflecteer, mediteer en toch zijn er dagen waarop ik voel hoe mijn systeem verkrampt. Alsof mijn schouders een drie centimeter te hoog staan en mijn adem net niet diep genoeg zakt. Wat moet het dan zijn voor mensen die geen taal hebben voor wat er in hen gaande is? We hebben allemaal een taalvermogen, maar de taal ontwikkelt zich bij iedereen anders.
We spreken makkelijk over burn-out, stress, angst. Maar zelden over de permanente staat van alertheid waarin velen lijken te leven. Alsof het lichaam voortdurend denkt dat er gevaar dreigt. Vecht. Vlucht. Nog een tandje bijsteken. Nog even volhouden. Niet instorten.
Het probleem is alleen: het gevaar is diffuus. Het zit niet in een tijger in het struikgewas, maar in een inbox, een scherm, een sluimerend gevoel van tekortschieten. Bovendien moet alles perfect zijn, anders is het niet goed genoeg.
Meditatie helpt mij. Niet als wondermiddel, wel als anker. Even zitten. Even niets doen, niets oplossen – in mijn geval: even niets willen oplossen. Gewoon waarnemen hoe gedachten komen en gaan als wolken die zichzelf niet hoeven te verantwoorden. Maar ik besef hoe vreemd dat kan klinken voor wie nog nooit zonder doel op een stoel zat. In een cultuur die vooruitgang verwart met versnelling, voelt vertragen bijna verdacht.
Toch vermoed ik dat mentale gezondheid minder te maken heeft met optimaliseren en meer met toestaan. Jezelf toestaan dat je niet altijd helder bent. Dat je moe bent. Dat je niet elk maatschappelijk probleem op je schouders moet torsen. Bewustzijn begint niet bij grote inzichten, maar bij kleine gewaarwordingen.
Mijn adem zit hoog – het zit me te hoog.
Mijn hart slaat sneller dan nodig – ik sta alweer op scherp voor iets wat geen roofdier is, maar een mail.
Mijn kaken zijn gespannen – ik hou woorden vast die eigenlijk gezegd willen worden.
Mijn schouders zijn opgetrokken – ik draag gewicht dat niet van mij is.
Mijn maag verkrampt – iets in mij verteert dit niet zomaar.
Mijn hoofd voelt mistig – ik heb te lang geprobeerd helder te blijven in een situatie die verwarrend is.
Ik ben eigenlijk overprikkeld – het wordt me te veel; er zijn grenzen.Die signalen zijn geen storingen. Het zijn eerder subtiele berichten.
Het lichaam liegt zelden; het fluistert eerst, en als we niet luisteren, gaat het luider spreken en zelfs schreeuwen. We hebben alleen verleerd om die taal ernstig te nemen. We duwen ze weg met koffie, met humor, met relativering, met nog een taak die dringend is, met vechten en vluchten.
Misschien begint mentale gezondheid bij het herwaarderen van die kleine innerlijke signalen. Niet als zwakte, maar als richtingaanwijzers. Ze zeggen niet alleen dat iets moeilijk is; ze tonen ook waar we van verwijderd zijn geraakt. Van rust. Van eenvoud. Van ons eigen tempo. Van onszelf.
Daar zit confrontatie in. Want als we werkelijk luisteren, kan het zijn dat we iets moeten veranderen. Dat we een grens moeten trekken, een gesprek aangaan. Dat we een keuze moeten maken die niet efficiënt is maar wel waarachtig.
Bewustzijn is geen comfortabele toestand; het schuurt. Het maakt zichtbaar wat we liever vaag houden.
Dat is ook waarom bewustzijn niet vanzelf groeit. Er zit in ons allemaal een neiging om het bekende te verkiezen boven het echte. Zelfs als dat bekende ons langzaam uitput en in het rood doet gaan. We blijven functioneren, omdat functioneren beloond wordt. Maar voelen? Dat vraagt moed. Het vraagt vertraging. Het vraagt soms dat we toegeven: dit leven zoals ik het nu leid, klopt niet meer met wie ik ben – de identiteitsvraag en de mogelijke crises die eruit volgen.
Misschien raakt dat ook aan iets wat we minder durven benoemen: hoe fundamenteel nabijheid is. Huidcontact. Iemand in de armen nemen en ervaren hoe dat voelt. Voel dat je adem vanzelf dieper wordt. Dat je hart niet langer alleen hoeft te slaan in het ritme van paraatheid, maar in dat van aanwezigheid. We zijn geen brein op pootjes. We zijn lichamen die resoneren op warmte, aanraking en echte aandacht.
Mentaal gezond blijven is geen individueel project. Geen checklist van gewoontes of een nieuwe ochtendroutine die we nog moeten volhouden. Het is meer een collectieve oefening in vertragen, in luisteren, in elkaar opnieuw echt leren ontmoeten. Zonder masker van efficiëntie. Zonder harnas. Zonder voortdurende zelfverbetering. Gewoon: hier ben ik. Met mijn twijfel, mijn vermoeidheid, mijn verlangen naar rust en naar nabijheid.
Ik heb de waarheid niet in pacht. Ik zie alleen hoeveel mensen op de rand balanceren. Functionerend, maar fragiel en vanbinnen aan het sterven. Ik vraag me af of de eerste stap niet eenvoudiger is dan we denken: weer leren voelen wanneer het te veel wordt, wanneer het je te hoog zit. En dan, zonder schuldgevoel, niet verder hollen maar blijven staan.
Niet omdat de wereld dat vraagt.
Maar omdat ons mens-zijn niet zonder kan.



Opmerkingen