In het gareel
- Luc Van De Steene
- 19 mrt
- 3 minuten om te lezen

Wat ik me afvraag na de vele alarmkreten in en over het onderwijs. Wat doet het met een mens om tien, twintig, dertig jaar lang in het gareel te lopen?
We stellen die vraag zelden hardop. Misschien omdat het antwoord ongemakkelijk is. Misschien omdat te veel mensen het antwoord al voelen in hun lichaam.
Kijk naar de leerkrachten die jaar na jaar blijven geven wat ze hebben en vaak meer dan dat. Mensen die continu in het rood gaan, omdat het groen te vaak ontbreekt. Hetzelfde zie je in de zorg. In de journalistiek. In alle sectoren waar het werk ertoe doet, en waar de rek stilaan uit het systeem is.
We noemen het engagement. Roeping, zelfs. Maar precies dat maakt het gevaarlijk.
Want wat gebeurt er als een mens langdurig moet functioneren onder hoge druk, met weinig ruimte om zelf richting te geven? De wetenschap is daar opvallend duidelijk over. Ons stresssysteem – de zogeheten HPA-as – is niet gemaakt om jarenlang “aan” te staan. Wat bedoeld is als een tijdelijke reactie op gevaar, wordt een permanente toestand.
Dat laat sporen na.
Onderzoek toont aan dat chronische stress het brein verandert – lees dat nog eens en nog eens … Gebieden die instaan voor geheugen en overzicht functioneren minder goed. Het alarmsysteem wordt gevoeliger. Wie te lang onder spanning staat, gaat anders denken, anders voelen, anders reageren. Niet omdat die persoon verandert van karakter, maar omdat het lichaam zich aanpast aan wat het denkt dat nodig is om te overleven. Het brein kan ook verslaafd raken aan stress.
Wetenschappers spreken in dat verband over allostatic load: de opeenstapeling van stress, de slijtage van een systeem dat zich te lang heeft moeten aanpassen.
Dat is geen zwakte. Dat is biologie. En toch blijven we het vaak zo benoemen. Alsof wie uitvalt, niet sterk genoeg was. Alsof veerkracht een kwestie is van willen – een grote blinde vlek in de hulpverlening.
Waarom houdt de ene leerkracht het langer vol dan de andere? Daar is geen eenvoudig antwoord op. De levensloop speelt een grote rol. Ervaringen uit de jeugd. Het al dan niet te strikte denkkader. De mate waarin iemand steun vindt. De tijd en de ruimte om te herstellen. En ook de persoonlijkheid: net de meest betrokken, meest plichtbewuste en naar perfectie strevende mensen lopen het grootste risico om op te branden.
Omdat ze blijven gaan. Omdat stoppen geen optie lijkt. Dat kost bakken energie.
In het publieke debat circuleren veel misverstanden. Het is alsof het probleem individueel is, terwijl het in wezen structureel is. Alsof meer veerkracht de oplossing is, terwijl de belasting onveranderd blijft.
Intussen stapelen de signalen zich op. Steeds meer leerkrachten vallen uit met burn-out of depressie. Sommigen ontwikkelen hardnekkige klachten, waarbij het lichaam niet meer zomaar terugkeert naar evenwicht. Het zijn geen uitzonderingen meer. Het zijn patronen.
Misschien moeten we dus een andere vraag durven stellen.
Niet: waarom houden sommige mensen het niet vol?
Maar wat doet het met een mens om het wél vol te houden?
Om jaar na jaar te blijven functioneren in een systeem dat structureel te veel vraagt en te weinig teruggeeft. Om zich aan te passen, telkens opnieuw. Om te blijven lopen, ook wanneer het lichaam al lang signalen geeft dat het niet meer gaat.
Hoeveel rek zit er op een mens?
Er is een grens. Niet altijd zichtbaar. Niet altijd voorspelbaar. Maar ze bestaat.
En wie er te lang over gaat, ontdekt dat terugkeren niet vanzelfsprekend is.
Misschien is dat de echte vraag die boven het onderwijs hangt – en ver daarbuiten.
Niet hoe we mensen langer in het gareel houden.
Maar hoe vermijden we dat ze er ooit in terechtkomen?
Meer dan ooit is er psycho-educatie nodig.
Het besef alleen al zou veel in beweging kunnen brengen.



Opmerkingen