De zachte rand van het bestaan — over eenzaamheid
- Luc Van De Steene
- 30 dec 2025
- 5 minuten om te lezen

Eenzaamheid is een weerbarstig gevoel. Het laat zich niet eenvoudig definiëren. Het heeft geen vaste vorm of duidelijke contour. Het kan zich aandienen in de stilte van de avond, als een dief in de nacht, maar even goed midden in een gesprek, onder de mensen. Eenzaamheid is niet hetzelfde als alleen zijn. Alleen zijn kan licht zijn, helder, zelfs bevrijdend. Eenzaamheid daarentegen heeft gewicht: het drukt, verdiept, verkoelt.
Toch is het onderscheid tussen alleen zijn en eenzaam zijn minder scherp dan we graag geloven. Misschien omdat we, zoals Søren Kierkegaard schreef, uiteindelijk allemaal de enkeling zijn; niet als sociaal label, maar als existentiële conditie. We worden geboren in een wereld die ons ontvangt maar niet volledig begrijpt, en we verlaten de wereld op een manier die niemand anders kan overnemen — hopelijk is er tegen dan nog wat aangenaam gezelschap in de buurt. Tussen geboorte en dood speelt zich ons verlangen naar verbinding af, altijd tegen de achtergrond van afzondering.
Verbinding is een sleutelwoord van deze drukke tijd geworden. We willen verbonden leven, echte relaties hebben, in contact staan. Maar wat bedoelen we daar eigenlijk mee? Onze samenleving lijkt eerder op wat Byung-Chul Han een communicatieve oververzadiging noemt: een onafgebroken stroom van woorden, beelden en berichten, waarin zelden nog echte ontmoeting plaatsvindt. We zijn bereikbaar, zichtbaar en deelbaar, maar vaak niet werkelijk aanwezig. De overvloed aan communicatie verdooft precies die stilte waarin nabijheid zou kunnen ontstaan.
Ik merk bij mezelf dat het gevoel van eenzaamheid — of is het dat alleen-zijn? — zich soms het scherpst aandient in gezelschap. Wanneer gesprekken blijven steken in beleefdheden, onbenulligheden, wanneer woorden de leegte moeten vullen in plaats van haar te willen verkennen. Smalltalk is niet onschuldig: het wekt de illusie van contact, terwijl het wezenlijke op een afstand blijft. Hannah Arendt maakte een onderscheid tussen isolement en eenzaamheid: wie geïsoleerd is, mist de wereld; wie eenzaam is, mist de ander. In druk gezelschap kunnen beide samenvallen: de wereld gonst verder, maar de ander blijft onbereikbaar. Psychologisch gezien zijn er ook voortdurend beschermingsmechanismen in de weer.
Misschien is dat kenmerkend voor de moderne mens: ontkoppeling midden in de verbinding — vervreemding. We delen beelden van ons leven, maar zelden de stilte die eronder schuilt. We volgen en liken elkaar, die constante dopamine, maar ontmoeten elkaar nauwelijks. In die schemerzone herkende Albert Camus de absurditeit van het bestaan: het besef dat we verlangen naar betekenis in een wereld die niet meer antwoordt.
Toch is eenzaamheid niet louter negatief. Simone Weil zag haar als de prijs van bewustzijn: wie werkelijk waarneemt, voelt ook de afstand. Maar juist in die afzondering schuilt de mogelijkheid tot aandacht. Pas wanneer we onze leegte niet verbergen, kunnen we luisteren, zien, aanwezig zijn. Misschien is dat waarom echte verbondenheid zeldzaam is: ze vraagt dat we eerst alleen durven zijn. Wie geen stilte verdraagt, kan moeilijk echt aanwezig zijn en luisteren.
Er bestaat ook een eenzaamheid die voortkomt uit verlangen; niet zozeer naar mensen, maar naar iets wat nooit volledig te bereiken valt. Een kosmisch gemis, zou je kunnen zeggen. Rainer Maria Rilke zag eenzaamheid als een noodzakelijke metgezel van groei, of liever: ontwikkeling. “Eenzaamheid is als regen,” schreef hij. “Ze stijgt uit de zee op naar de hemel, en valt dan zacht terug op de aarde.” Misschien is eenzaamheid precies dat: de neerslag van een innerlijke beweging, een herinnering aan onze diepste diepte als mens.
Daarnaast is er de existentiële eenzaamheid. Emmanuel Levinas benadrukte dat de ander altijd gedeeltelijk onbereikbaar blijft. Zelfs in de meest intieme relatie gaapt een kloof die niet te dichten is. We kunnen elkaar (aan)raken, maar niet bezitten. En misschien is dat geen tekort, maar een voorwaarde. In dat niet-samenvallen ligt vrijheid besloten; de ruimte waarin ontmoeting überhaupt mogelijk wordt.
Vaak zijn we minder bang voor de eenzaamheid dan voor de stilte die haar vergezelt. De stilte waarin geen afleiding schuilt, maar waarin de echo van onszelf hoorbaar wordt. Nietzsche zag in die stilte juist iets creatiefs. Wie afzondering durft te verdragen, kan er iets nieuws uit voortbrengen: gedachten, kunst, inzicht. Eenzaamheid als bron, niet als wonde.
Het blijft echter een broos evenwicht. Te veel afzondering verstilt het leven, te weinig verstikt het. We bewegen voortdurend tussen nabijheid en afstand, ook — of juist — in de liefde. Je kunt samen zijn en toch verlangen naar een horizon die alleen jij ziet. Dat verlangen is geen bedreiging, maar een motor: het besef dat de ander nooit volledig samenvalt met ons eigen bestaan.
Met het ouder worden krijgt eenzaamheid vaak een andere kleur. Minder als keuze, meer als lot. De stemmen verstommen, de kamers worden stiller; de pillendoos binnen handbereik. Toch kan ook hier iets ontstaan dat niet louter leegte is. Simone Weil sprak over aandacht voor het onzichtbare: een vorm van aanwezigheid die niet voortkomt uit doen, maar uit zijn. Misschien schuilt in de eenzaamheid van de ouderdom een wijsheid die onze haastige generaties moeilijk verdragen: het vermogen om te bestaan zonder voortdurende afleiding.
Echte verbondenheid, als ze al bestaat, is misschien geen toestand maar een gebeurtenis. Een kort moment waarin twee bewustzijnstoestanden elkaar raken en iets (h)erkennen. Misschien is dat genoeg. Zoals Camus schreef: “In het diepste winterse van mijn leven ontdekte ik een onverwoestbare zomer.” Die zomer is misschien het moment waarop we onze eenzaamheid niet langer als gebrek ervaren, maar als de zachte rand van het bestaan.
Eenzaamheid is geen vergissing van de natuur. Ze is haar meest eerlijke gebaar: een herinnering aan ons begrensd-zijn én aan onze vrijheid. In de woorden van Kierkegaard: “Het hoogste wat een mens kan bereiken, is zichzelf worden.” Het is een onderneming die niemand anders voor ons kan volbrengen.
Misschien hoeven we de eenzaamheid dus niet te verjagen, maar te erkennen als deel van wie we zijn. Niet als kwaal, maar als condition humaine waarin het echte leven zich aandient. In de stilte tussen twee zinnen, in een blik die even blijft rusten, in een kamer waar het licht ongehaast binnenvalt — daar fluistert het bestaan zichzelf toe.
In dat fluisteren, misschien, zijn we nooit helemaal alleen.
A note on words — loneliness & solitude
De Engelse taal maakt een onderscheid dat in het Nederlands moeilijker vast te houden is. Terwijl wij vaak één woord gebruiken (eenzaamheid) spreekt het Engels van loneliness en solitude.
• Loneliness draagt het gewicht van gemis. Het verwijst naar een pijnlijk tekort, naar het ontbreken van nabijheid die wel verlangd wordt. Het is de eenzaamheid die schuurt, die zich opdringt, die vraagt om verzachting. In loneliness klinkt de klacht door, het onuitgesprokene: I should not be alone.
• Solitude daarentegen heeft een andere klankkleur. Het is zelfgekozen afzondering, een ruimte waarin men zich terugtrekt om te ademen, te denken, te luisteren. Solitude is niet leeg, maar verzadigd: van stilte, aandacht, innerlijk leven. Het is de eenzaamheid die niet ontkent, maar (ver)draagt.
Misschien ligt precies daar een sleutel tot ons ongemak met eenzaamheid. In het Nederlands vallen beide ervaringen vaak samen in één woord, waardoor we geneigd zijn elke vorm van alleen-zijn als tekort te beschouwen. Maar niet elke stilte is gemis, en niet elke afzondering vraagt om opheffing. Wie het onderscheid leert horen, ontdekt dat eenzaamheid niet alleen iets is wat bestreden moet worden, maar ook iets wat bewoond kan worden. 


Opmerkingen