De stilte van het beton
- Luc Van De Steene
- 3 dagen geleden
- 5 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 2 dagen geleden

Schrijven over de spirituele dimensie in het werk van Juliaan Lampens (1926–2026) is onvermijdelijk ook een vorm van eerbetoon. Zijn geboortedorp Eke maakt er een jubileumjaar van.
De laatste keer dat ik iets uitvoeriger schreef over architectuur was naar aanleiding van de honderdste verjaardag van Oscar Niemeyer – die toen nog volop plannen maakte, alsof de tijd zelf geen vat op hem had. Zijn architectuur behoort tot een geheel andere orde: een monumentale, uitgesproken orde. Des te groter het contrast met Lampens, aan wie deze ode is gericht.
Ere wie ere toekomt: ook hij hoort thuis in het pantheon der grote architecten.
“In 1947 kocht hij zijn eerste exemplaar van het tijdschrift L’Architecture d’Aujourd’hui, met daarin een special rond het Braziliaans modernisme van Oscar Niemeyer. Het was een openbaring: de kiem voor zijn latere architectuurvisie was gelegd.” – Bron: https://www.bib-lampens.be/over-lampens/Er zijn gebouwen die spreken – soms schreeuwerig en luidkeels – en er zijn gebouwen die zwijgen, in een haast gewijde stilte. Gebouwen, het zijn net mensen.
Het brutalisme, geboren uit de naoorlogse nood aan eerlijkheid en heropbouw, heeft vaak de neiging gehad om luidruchtig te zijn: massief, onverbloemd en pregnant aanwezig. In de handen van Le Corbusier werd beton zelfs een retorisch middel, een taal van steen die het licht vangt en terugkaatst als een openbaring – denk aan de Chapelle Notre-Dame du Haut in Ronchamp. Hoewel de bouwstijl niet strikt brutalistisch is, laat deze kapel betonvormen zien met een geraffineerd spel van licht en schaduw om een intens spirituele sfeer op te roepen.
Maar in Vlaanderen, ogenschijnlijk ver van deze monumentale gebaren, werkte Juliaan Lampens aan een andere mogelijkheid. Zijn architectuur preekt niet. Ze weigert bijna elke vorm van retoriek en precies daarin schuilt haar kracht. Ze is echt.
Waar Le Corbusier nog een architect van het sacrale is, wordt Lampens bijna een architect van het lege – de open ruimte of het open plan. Vrijheid moet floreren.
Dit essay is een ode – niet alleen aan een honderdste geboortejaar, maar aan een manier van denken die vandaag zeldzaam is geworden: radicaal en tegelijk mild; stil, menselijk en onwrikbaar eerlijk – zoals de architect zelf ook was.
Architectuur zonder gebaar
De Bedevaartkapel Onze-Lieve-Vrouw van Kerselare – momenteel in de steigers voor grondige renovatie – ligt niet als een monument in het landschap, maar als een aanwezigheid. Er is geen theatrale aankondiging, geen symbolische façade. Het gebouw lijkt eerder te zijn neergelegd dan ontworpen – alsof het er altijd al was.
Het gebouw is geïntegreerd in het landschap. Het herinnert ons eraan dat de mens ook een spiritueel wezen is – ingebed in de natuur.
Waar veel brutalistische architectuur nog een zekere heroïek uitstraalt, een verlangen om te imponeren, zoals ook veel mensen dat doen, trekt Lampens zich terug tot een bijna ascetische reductie – die reflectie aanmoedigt. Beton is hier geen expressief materiaal, maar een gegeven. Geen dramatiek, geen pathos, slechts massa, ruimte en licht. De resultante van ruimtelijk denken.
Men zou kunnen zeggen: waar anderen bouwen om gezien te worden, bouwt Lampens om aanwezig te zijn. Geen zelfbevestiging, maar een stille en onmiskenbare handtekening. Waar het brutalisme elders nog wil spreken, weigert Lampens bijna elke taal.
Materie als waarheid
Het beton van Lampens is geen sculpturaal medium zoals bij Le Corbusier. In Sainte Marie de La Tourette wordt het materiaal nog ingezet om ritme, orde en spanning te articuleren. Bij Lampens daarentegen lost elke vorm van compositie bijna op.
Het gestorte beton oogt onafgewerkt, onopgesmukt, onpersoonlijk en juist daardoor wordt het iets anders: geen drager van betekenis, maar een vorm van waarheid. Het materiaal verwijst niet; het is. In die zin raakt Lampens aan een bijna filosofische kern van het brutalisme: niet de esthetiek van het ruwe, maar de ethiek van het onverbloemde.
Ruimte als toestand
De kapel in Kerselare kent geen theatrale as, geen hiërarchisch opgevoerd altaar, geen dramaturgie van nadering en culminatie. De ruimte is open, horizontaal, zonder nadrukkelijke richting. Alles lijkt zich op hetzelfde niveau af te spelen.
Het heeft gevolgen voor de ervaring van het sacrale. Bij Le Corbusier wordt de bezoeker nog geleid, bijna geënsceneerd, in de richting van een moment van openbaring. Bij Lampens daarentegen gebeurt er niets en precies daarom kan nog alles gebeuren. De ruimte is geen gebeurtenis, maar een toestand. Geen climax, maar continuïteit. Hier is geen verheffing of morele vingerwijzing, alleen aanwezigheid.
Licht zonder wonder
Misschien is het meest radicale element in Lampens’ werk zijn omgang met licht. Waar Ronchamp het licht nog inzet als een bijna mystiek spektakel – een spel van contrasten, insnijdingen en verrassingen – kiest Lampens voor het tegenovergestelde. Het licht in Kerselare is diffuus, gelijkmatig en stil – tot stilte uitnodigend.
Het kondigt niets aan. Het onthult niets. Het is er gewoon en juist in die onopvallendheid krijgt het een andere betekenis. Het licht wordt geen teken van het goddelijke, maar een voorwaarde van het bestaan. Geen wonder, maar een vorm van voortdurend zijn.
Spiritualiteit zonder bemiddeling
Wat ontstaat is een vorm van spiritualiteit die zich onttrekt aan alle traditionele symboliek. Hier geen iconografie die de blik stuurt, geen architecturale gebaren die betekenis opleggen. Lampens creëert een ruimte waarin niets wordt opgelegd en waarin de bezoeker zelf moet, of mag, ervaren wat er is. Misschien zelfs: verdragen wat er is.
Dit is geen religieuze architectuur in de klassieke zin. Het is een ruimte die het sacrale niet afbeeldt, maar mogelijk maakt. Zijn architectuur domineert niet; ze laat toe. Ze laat de verbinding toe – met jezelf, met de ander, of met de Ander, in de zin die Emmanuel Levinas eraan gaf.
Tussen ascese en modernisme
Toch zou het te eenvoudig zijn om Lampens enkel als een mysticus van het beton te beschouwen. Zijn werk is diep geworteld in het modernisme: in de zoektocht naar eerlijkheid en zuiverheid van materiaalgebruik, in de afwijzing van ornament, in de invloed van naoorlogse liturgische hervormingen.
Zijn radicaliteit is niet alleen spiritueel, maar ook ideologisch. Ze is een reactie, een statement – tegen overdaad, tegen onbenulligheid, tegen illusie, tegen een bouwkunde die zichzelf belangrijker maakt dan haar bewoners. De mens – en de menselijke maat – blijven altijd centraal.
Juist die spanning maakt zijn werk zo intrigerend: tussen ascese en engagement, tussen stilte en stellingname. Lampens is daarin altijd trouw aan zichzelf gebleven.
De genade van het minimale
Honderd jaar na zijn geboorte voelt het werk van Juliaan Lampens opmerkelijk actueel. In een tijd waarin architectuur opnieuw vaak spektakel wordt, herinnert hij ons aan een andere mogelijkheid.
Een architectuur die niets wil bewijzen.
Die niets wil tonen.
Die niets wil zijn – behalve wat ze is.
Zoals de mens – zijn, gewoon mens zijn.
Misschien ligt daarin haar grootste kracht. Het beton is niet hard, maar onverschillig en precies daarin schuilt een vreemde vorm van genade.
Lees ook het interessante Lampensalfabet: https://www.bib-lampens.be/over-lampens/
Mijn bijdrage over Oscar Niemeyer zoals verschenen in De Morgen.




Opmerkingen