top of page

De noodzaak van het onvolledige


Hallucineren is geen ontsporing, maar een poging tot betekenis wanneer directe toegang ontbreekt. (Foto © Unsplash)
Hallucineren is geen ontsporing, maar een poging tot betekenis wanneer directe toegang ontbreekt. (Foto © Unsplash)

Hallucineren is geen fout, geen ontsporing, maar een fundamenteel principe van ons denken. 


Dat hallucineren door Van Dale is uitgeroepen tot Woord van het Jaar 2025, zegt minder over onze taal dan over onze tijd. Sinds de opkomst van artificiële intelligentie is het woord verschoven van een klinische term naar een moreel verwijt: AI “verzint dingen”, en dat mag niet. Hallucineren wordt zo voorgesteld als een technisch mankement, een gevaarlijke afwijking van de werkelijkheid.


We vergeten dat we snel de verkeerde kant op kijken. 


AI is een uitvinding van het menselijk brein. Is het dan werkelijk zo vreemd dat de uitvinding een eigenschap vertoont die ook diep in onze eigen cognitie verankerd zit?


Wat Oliver Sacks ons al leerde


Oliver Sacks werd onlangs nog bij het oud huisvuil gezet, naast Freud. Hij was zogezegd geen wetenschapper maar een verhalenverteller. Wel, de mens ís een verhalenverteller, en slechts sommige mensen zijn wetenschapper. Als wetenschapper bestudeerde Sacks de mens. 


In Hallucinaties (2013) beschrijft hij hallucineren niet als een zeldzame pathologie, maar als een wezenlijk onderdeel van de menselijke ervaring. Hallucinaties ontstaan vaak niet door een teveel aan verbeelding, maar door een tekort aan waarneming. Wanneer zintuigelijke input wegvalt, bijvoorbeeld door verlies van gezichtsvermogen, vullen de hersenen het gat op. Ze laten zien wat er niet meer gezien wordt.


De kern van Sacks’ inzicht is ontregelend eenvoudig: de hersenen verdragen geen leegte.


Waar de werkelijkheid onderbreekt of ontbreekt, treedt het brein op als redacteur. Het herstelt continuïteit, zelfs als dat betekent dat het dingen “laat zien” die er niet zijn. Hallucineren is hier geen ontsporing, maar een compensatiestrategie. Een poging om betekenis te behouden.


Wie dit begrijpt, kijkt anders naar trauma. Posttraumatische stress kan worden gezien als een breuk in de ervaringsketen: gebeurtenissen die niet geïntegreerd raken in een coherent verhaal. Verleden dat geen verleden wil worden. Ook daar verschijnen hallucinatoire elementen niet als leugens, maar als noodoplossingen van een systeem dat koste wat kost samenhang zoekt.


Witte plekken en lezende breinen


Diezelfde dynamiek duikt op in een heel andere discipline: de literatuurwetenschap — overigens geleerd aan de UGent. Teksten bevatten witte plekken: tijdens het schrijven bewust open gelaten ruimtes die de lezer zelf moet invullen. Betekenis ontstaat niet uitsluitend uit wat er woordelijk staat, maar uit wat de lezer ertussen construeert, tussen de regels leest. 


Lezen is dus geen passieve opname, maar een actief, creatief proces. Opvallend genoeg zien we dit mechanisme bijzonder scherp bij hoogbegaafde kinderen. Zij lezen niet woord voor woord, maar bouwen razendsnel een intern model van het verhaal: thema’s, logica en verbanden vormen zich al voordat elke zin is verwerkt. Ze voorspellen de tekst. Pas wanneer iets niet klopt, keren ze terug om het model te corrigeren.


Met andere woorden: ze hallucineren het verhaal vooruit.


Niet uit slordigheid, maar uit cognitieve efficiëntie. Ze vullen witte plekken in omdat het brein daar nu eenmaal voor gemaakt is. Elk mens doet dit, maar sommigen sneller, conceptueler en met grotere sprongen.


AI als spiegel, niet als monster


Precies hier wordt de parallel met AI onvermijdelijk. Ook een taalmodel werkt met onvolledige input. Ook een taalmodel kan geen leegte laten bestaan. Het genereert het meest waarschijnlijke vervolg op basis van patronen, net zoals menselijke lezers dat doen, omdat ons brein dat doet. 


Wanneer we spreken over “AI-hallucinaties” doen we alsof het systeem plotseling loskomt van de werkelijkheid. In werkelijkheid doet het wat het altijd doet: betekenis genereren waar gegevens ontbreken. Dat dit soms fout loopt, is geen bewijs van kwaadaardigheid of domheid, maar van structurele overeenkomst met de menselijke cognitie. 


Het ongemak zit elders. We verdragen menselijke hallucinaties beter omdat ze ingebed zijn in lichaam, emotie en biografie. Bij AI ontbreekt dat verzachtende kader. Wat overblijft, is een naakte vorm van ons eigen denken: zichtbaar, herhaalbaar en confronterend.


Een ander gesprek


Misschien is het tijd om het debat te herformuleren. Niet: hoe vermijden we hallucinaties volledig? Maar: wanneer zijn ze functioneel, en wanneer worden ze schadelijk?


Al eeuwen stellen we die vraag over mensen; in kunst, religie, wetenschap en psychopathologie. Waarom zouden we haar niet ook toepassen op de systemen die wij zelf hebben gebouwd?


Hallucineren blijkt dan geen moreel falen, maar een cognitieve noodzaak. Het is wat er gebeurt wanneer intelligentie, menselijk of artificieel, wordt geconfronteerd met het onvolledige. Misschien is dat precies wat deze discussie ons leert: niet dat AI te veel op ons lijkt, maar dat we eindelijk gedwongen worden eerlijker te kijken naar hoe ons eigen denken werkelijk werkt. Het is denken over ons denken. 


Zoals altijd komt het er op aan de juiste vragen te stellen. Hoe beter de input hoe beter de output. 

 
 
 

Opmerkingen


  • Black Twitter Icon
  • Black Facebook Icon

© 2025 by Luc Van De Steene. Powered and secured by Wix

bottom of page