De mens als verhaal – met een kleine dinosaurus in de inkomhal
- Luc Van De Steene
- 7 feb
- 3 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 14 feb

In een museum zag ik ooit een kind staan voor het skelet van een dinosaurus. Het keek omhoog alsof het een kathedraal betrof. In het aanschijn van dat reusachtige verleden leek het kind zelf bijna niet te bestaan. Ik dacht: zo kijken we tegenwoordig vaak naar de mens. Onder de monumentale botten van theorieën, handboeken en protocollen wordt het levende wezen haast onzichtbaar.
Het dominante mensbeeld is smal geworden: cognitief, technisch, controlegericht. Alsof we allemaal kleine fabrieken zijn waarin af en toe een proces hapert. Dan moet er een monteur komen met de juiste sleutel: een diagnose, een techniek, een stappenplan. Het is een geruststellende gedachte. Vooral voor de monteur, minder voor wie in het apparaat moet wonen.
Ik werk niet klinisch. Ik ontmoet mensen van mens tot mens — vooral via taal. Wat mij interesseert, is geen stoornis maar een geschiedenis: wat heb je meegemaakt, wat is je in het leven overkomen, hoe heb je leren overleven? Dat soort vragen staat zelden op formulieren. Ze vragen tijd, omwegen, soms een stilte waarin meer gebeurt dan in tien tips.
Neem iets alledaags als emotionele regulering. In sommige communicatie klinkt het alsof je een thermostaat bijstelt: ademhalingsoefening, gedachte vervangen, klaar. In het echte leven blijkt die ontregeling vaak een oud verhaal te vertellen. Iemand die bevriest bij conflict heeft misschien ooit geleerd dat verdwijnen veiliger was dan uitpraten. Het lichaam herhaalt een les die nooit werd uitgesproken. Geen defect, maar geheugen zonder woorden.
Rond dat soort ervaringen is een machtig classificatieapparaat gegroeid. De DSM, ooit bedoeld als voorlopig hulpmiddel, is een bril geworden waardoor men bijna automatisch gaat kijken. Verzekeringen, quota en de brede medicalisering duwen in dezelfde richting: eerst de diagnose, dan de mens. Wie door dat glas kijkt, ziet vooral symptomen die in vakjes passen. Het verhaal verdampt als ochtendmist.
Daarmee verliezen we meer dan nuance.
We verliezen het lichaam dat onthoudt wat geen naam kreeg.
We verliezen de biografie waarin pijn en veerkracht door elkaar lopen.
We verliezen het eenvoudige besef dat mensen geen problemen hebben, maar dat hun iets is overkomen. Een wereld van verschil.
Hier raakt mijn pleidooi aan wat ik een taalkundige psychologie noem. Taal is niet louter een verslag achteraf; ze vormt de ervaring zelf. Wanneer iemand woorden vindt voor wat tot dan toe alleen in spieren en adem leefde, verandert het innerlijk landschap. Zinnen kunnen ruimte maken waar voordien alleen spanning was. Daarom luister ik liever naar hoe iemand spreekt dan naar hoe hij geclassificeerd wordt.
Dat betekent niet dat wetenschap overbodig is. Integendeel. Maar evidence is een kompas, geen dogma. Protocollen zijn kaarten, geen territorium. Zodra ze belangrijker worden dan de relatie, gaan ze aan hun doel voorbij. Dan wordt symptoombestrijding een doel op zich en verdwijnt de vraag naar betekenis uit beeld, terwijl betekenis vaak de kortste weg naar herstel is.
Soms lijkt het alsof we bang zijn voor die complexiteit. Een mens die tegelijk lichaam, verhaal en verbeelding is, laat zich niet vangen in één schema. Het is eenvoudiger om hem te behandelen als een probleem dat opgelost moet worden. Maar wie zo kijkt, begint mensen te corrigeren totdat ze bij het model passen.
Ik zie dat verschil in kleine, alledaagse momenten. Een vrouw vertelt over paniek in de supermarkt. Op het formulier moet ze vakjes aankruisen: hoe vaak, hoe hevig, hoe lang. Maar in mijn kleine praktijk vertelt ze iets anders: over een vader die plots uit haar leven verdween, over schaamte die als een knoop in de maag blijft zitten, over muziek die soms helpt om weer te ademen. Twee talen lopen naast elkaar, de taal van de meting en de taal van het leven, en meestal vindt alleen de eerste gehoor.Misschien hebben we opnieuw de moed nodig om traag te denken.
Om te aanvaarden dat een mens een raadsel blijft, ook voor zichzelf.
Dat voelen niet de vijand is van denken, maar zijn voedingsbodem.
Dat zorg begint waar iemand zich mag tonen zonder vooraf in een vakje te passen.
De dinosaurus in het museum blijft indrukwekkend.
Maar het kind ademt, struikelt, verzint nieuwe vragen.
Ik kies, als het even mag, voor het kind. Voor een mensbeeld dat niet alleen meet maar ook luistert, niet alleen corrigeert maar ook ontvangt.
Een mensbeeld waarin taal weer een brug wordt tussen wat we meemaken en wat we kunnen begrijpen.
Het zou al veel betekenen als we dat opnieuw durfden: de mens ontmoeten vóór we hem verklaren. Misschien wordt de zorg dan minder een reparatiedienst en meer wat ze in wezen kan zijn: een plaats waar verhalen opnieuw leren leven.
Wat heb jij meegemaakt waardoor je nu het leven leidt dat je leidt? Weet dat er altijd mogelijkheden zijn. Die zie je pas door op verhaal te komen.



Opmerkingen