Als het masker moe wordt — over de mens achter de façade
- Luc Van De Steene
- 24 okt 2025
- 3 minuten om te lezen

We worden allemaal geboren als een open boek.
Een bundel zintuigen, adem, verwachting — in liefde ontvangen, als het wat meezit.
We lachen als we gezien worden, huilen als we honger hebben, zoeken vanzelf naar nabijheid.
Maar al vroeg leren we dat de wereld niet altijd vriendelijk reageert op die openheid.
We leren onze glimlach te gebruiken als schild, onze woorden te wikken en te wegen, onze spontaniteit te doseren.
Langzaam, haast onmerkbaar, schuiven we een dun vliesje tussen ons en de wereld: het masker dat later onze tweede huid wordt.
Dat masker heeft vele namen. Aanpassing. Fatsoen. Zelfbeheersing. Rol. Functie.
Psychologen noemen dit het false self: het deel van ons dat leert om te voldoen, te presteren, te zorgen, te overleven. En dat is niet slecht.
Zonder dat masker zouden we de ruwe wind van de wereld niet weerstaan.
Het beschermt ons. Het helpt ons functioneren.
Maar als we te lang achter dat masker blijven leven, raken we iets kwijt:
de directe verbinding met wie we eigenlijk zijn.
We raken het echte zelf kwijt; het deel dat voelt, zich verwondert, zoekt, liefheeft zonder agenda. En omdat het masker applaus krijgt — voor wat we doen, niet voor wie we zijn — blijven we het dragen. Soms een leven lang.
Tot het leven zelf even stokt. Een relatie die breekt. Een kind dat uit huis gaat. Een job die eindigt. Een burn-out. Een pensioen.
Of gewoon: een dag waarop het ineens stil wordt.
Dan valt het decor weg, en blijft de acteur achter in een lege zaal.
De stilte is niet alleen buiten, maar ook vanbinnen.
Wie ben ik, als ik niet meer hoef te presteren, niet meer nodig ben, niet meer word bewonderd?
De façade brokkelt af, en wat overblijft is iets wat we vaak niet goed kennen:
de naakte mens onder de functie.
Dat moment voelt als eenzaamheid, maar eigenlijk is het een ontmoeting.
Eenzaamheid is zelden het ontbreken van anderen; ze is het ontbreken van onszelf.
We hebben zo lang geprobeerd iemand te worden, dat we vergaten iemand te zijn.
Het echte zelf is niet verdwenen, alleen vergeten.
Het wacht, geduldig, achter de lagen van efficiëntie, van rol, van verwachting.
Wanneer het masker moe wordt, begint de mens te ademen.
Eerst schoorvoetend, dan met meer lef.
We ontdekken dat kwetsbaarheid geen zwakte is maar zuurstof.
Dat stilte niet leeg is maar vol aanwezigheid.
Dat echte nabijheid niet vraagt om prestaties, maar om aanwezigheid.
En dat het genoeg is om eenvoudigweg te zijn.
De uitnodiging van deze tijd — een tijd waarin zoveel mensen zich leeg, moe of overprikkeld voelen — is misschien niet om meer te doen, maar om meer af te leren.
Om langzaam het masker af te zetten.
Niet abrupt, niet heroïsch, maar in kleine gebaren:
één eerlijk gesprek, één traan die niet wordt ingeslikt,
één moment waarop je luistert naar wat er echt in je leeft.
Daar, in dat stille midden, begint de menselijkheid opnieuw.
We worden weer zacht. We worden weer ontvankelijk.
We worden weer echt.
En misschien is dat de ware volwassenheid:
niet het vermogen om alles onder controle te houden,
maar het lef om onszelf te tonen zonder façade.
Om te zeggen: dit ben ik, zonder masker. Dit is wat ik voel, zonder rol.
Wie dat kan, is niet zwak.
Wie dat kan, is eindelijk vrij.
💡 Deze column schreef ik niet als theorie, maar als ervaring.
Soms moet een mens eerst verliezen wat hij niet is,
om te vinden wie hij altijd al was.
In mijn geval een talig knuffelbeest.



Opmerkingen